Verschillende interessante zaken voor u uitgelicht
Verdachte vrijgesproken nadat ze uit haar woning is gezet.add
OM niet ontvankelijk in moordzaakadd
LJN: BD6916, Rechtbank Amsterdam , 13/447633-07 Print uitspraak
Datum uitspraak: 30-06-2008
Datum publicatie: 10-07-2008
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte nu de officier van justitie weigert gehoor te geven aan het bevel van de rechtbank om een processtuk aan het dossier toe te voegen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/447633-07
Datum uitspraak: 30 juni 2008
op tegenspraak
VONNIS
van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het Huis van Bewaring “Zwaag” te Zwaag.
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 oktober 2007, 10 januari 2008, 27 maart 2008, 12 juni 2008 en 30 juni 2008.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde tenlastelegging geldt als hier ingevoegd.
2. Voorgeschiedenis
Op 12 juni 2008 stond de inhoudelijke behandeling gepland in de zaak tegen verdachte [verdachte] en de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Op 2 juni 2008 heeft de officier van justitie telefonisch aan de verdediging en de rechtbank meegedeeld dat zich bij de politie een getuige had gemeld die iets zou kunnen verklaren over de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij het overlijden van [slachtoffer]. De officier van justitie heeft toen aangegeven de zaak op 12 juni 2008 niet inhoudelijk te kunnen behandelen, nu zij in het kader van de waarheidsvinding geen andere keus had dan uit te zoeken wat deze getuige, van wie zij de identiteit – vooralsnog – niet wilde prijsgeven, zou kunnen verklaren over de betrokkenheid van in ieder geval een van de verdachten bij een levensdelict. Hoewel de zaak in beginsel stond voor een inhoudelijke behandeling en het dossier derhalve, gelet op inhoud en strekking van artikel 33 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), compleet zou moeten zijn, ontbrak daarin elke informatie over deze getuige, de betrouwbaarheid daarvan en de contacten van officier van justitie en/of andere opsporingsambtenaren met de getuige. De mondeling ter terechtzitting door de officier van justitie verstrekte informatie omtrent de mogelijke getuige en inhoud van diens eventuele verklaring was summier en weinig concreet. Toch heeft de rechtbank ter terechtzitting van 12 juni 2008 de vordering van het openbaar ministerie tot aanhouding van de zaak toegewezen gelet op het kennelijke belang van het nieuwe onderzoek voor de waarheidsvinding betreffende een wezenlijk bestanddeel van de tenlastegelegde moord/doodslag. De rechtbank heeft daarbij aangegeven op korte termijn nader te willen worden voorgelicht over de betrouwbaarheid van de getuige alsmede over – niet woordelijk, maar naar strekking - de inhoud van diens verklaring. Daartoe heeft de rechtbank het openbaar ministerie de gelegenheid gegeven op de terechtzitting van 30 juni 2008.
Op 26 juni 2008 heeft de officier van justitie, middels een kopie van de fax aan de raadsman van verdachte, de rechtbank meegedeeld dat er geen getuigenverklaring zal gaan komen. De officier van justitie kondigt in haar fax aan om op 30 juni 2008 aan de rechtbank te verzoeken een inhoudelijke behandeling van de zaak te plannen.
Ter terechtzitting van 30 juni 2008 heeft de officier van justitie het volgende standpunt ingenomen (gecursiveerd door de rechtbank):
“De vorige zitting op 12 juni j.l. in deze zaak was een pro forma omdat zich kort voor die zitting een getuige gemeld had die een verklaring wilde afleggen over de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de moord op [slachtoffer].
Ik kon u bij die zitting geen verdere details geven. Dat leidde ertoe dat u mij opdracht gegeven heeft om op deze zitting duidelijkheid te geven over twee zaken:
- de betrouwbaarheid van de getuige
- de inhoud van zijn verklaring.
Ik heb u op donderdag 26 juni j.l. per mail en brief (via mijn secretaresse — zelf was ik er niet
- ) laten weten dat er geen verklaring van de getuige zal zijn en dat ik graag wil dat de zaak inhoudelijk gepland wordt.
Dat er geen verklaring van de getuige komt is een beslissing die in samenspraak met de parketleiding genomen is.
Het betrof een getuige die een tegenprestatie wenste. Er is een gesprek tot stand gekomen met deze getuige en daarin heeft hij een verklaring afgelegd. Die zogenaamde “kluisverklaring” is afgelegd onder de voorwaarde dat deze niet gebruikt zou worden als er geen
overeenstemming over een tegenprestatie tot stand zou komen.
Wij hebben als parket vervolgens beslist dat wij niet verder wilden met deze getuige. Dat was op woensdagavond. Op donderdag is dat aan de getuige en raadsman meegedeeld. Direct daarna heb ik u dat ook laten weten.
Dat de afspraak tussen de getuige en het OM niet tot stand is gekomen is datgene wat ik kan meedelen. De afweging die tot de beslissing om niet met hem verder te gaan geleid heeft kan ik niet met u delen nu deze tot bekendheid met de identiteit van de getuige kan leiden.
Op de inhoud van de verklaring kan ik — op grond van mijn belofte dat deze niet geopenbaard zou worden- niet ingaan. Ik ben daarin gebonden aan de toezegging die ik aan die getuige heb gedaan en het vertrouwensbeginsel dat het handelen van het OM regeert.
Uiteraard is het wel zo dat het materiaal geen ander licht op deze zaak liet vallen, dus ook geen ontlastend materiaal bevat. In dat geval zouden wij onze niet-ontvankelijkheid vragen.”
3. Voorvragen
Ontvankelijkheid van de officier van justitie.
3.1 Standpunt verdediging
De raadsman van verdachte, mr. D.C. Vlielander, heeft ter terechtzitting de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de zogenoemde kluisverklaring van de getuige toegevoegd dient te worden aan het dossier. Indien de officier van justitie geen openheid van zaken wil geven met betrekking tot de kluisverklaring, dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard. De raadsman is van mening dat het handelen van het openbaar ministerie door de rechtbank en de verdediging getoetst moet kunnen worden en dat het openbaar ministerie volledige openheid van zaken moet geven met betrekking tot de inhoud van de kluisverklaring. Het openbaar ministerie kan de inhoud van de verklaring niet achterhouden voor de verdediging en de rechtbank nu er geen sprake is van onthouding van processtukken. De raadsman merkt op dat hij de officier van justitie niet meer begrijpt en vraagt zich daarbij af of de getuige nu wel of niet betrouwbaar bleek te zijn. De raadsman leest in de woorden van de officier van justitie dat de getuige wel betrouwbaar is, maar dat de onderhandelingen met betrekking tot de tegenprestatie, niet het gewenste resultaat hebben opgeleverd. De raadsman wil weten of de naam van zijn cliënt is genoemd door de getuige; hij kan dit nu niet controleren.
3.2.Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat zij op de inhoud van de verklaring- op grond van haar belofte aan de getuige dat deze niet geopenbaard zou worden- niet kan ingaan. De officier van justitie stelt dat zij gebonden is aan de toezeggingen die zij aan de getuige heeft gedaan en het vertrouwensbeginsel dat het handelen van het openbaar ministerie regeert. Daarnaast kan het openbaar maken van de inhoud van de verklaring leiden tot de bekendheid met de identiteit van de getuige. De officier van justitie heeft wel meegedeeld dat het materiaal geen ander licht op deze zaak liet vallen en dus ook geen ontlastend materiaal bevat. Indien dit wel het geval zou zijn geweest, dan had het openbaar ministerie haar niet-ontvankelijkheid gevraagd.
3.3. Oordeel van de rechtbank.
De rechtbank ziet zich thans gesteld voor de vraag of de onthouding van de zogenoemde kluisverklaring in stand kan blijven – opnieuw – in het licht van artikel 33 Sv. In het stadium waarin de strafzaak tegen verdachte zich bevindt – de dagvaarding is aan verdachte betekend en de strafzaak staat voor een inhoudelijke behandeling ter terechtzitting – mag de verdachte de kennisneming van processtukken op grond van dit artikel niet – langer – worden onthouden. Voor zover mitsdien de kluisverklaring als processtuk dient te gelden, moet de verdachte, mede in het licht van de algemene beginselen van een goede procesorde, hiervan kennis kunnen nemen.
De rechtbank dient derhalve te onderzoeken of sprake is van een processtuk. Uitgangspunt hierbij is dat het – waar het de resultaten van het opsporingsonderzoek betreft - de officier van justitie is die het dossier samenstelt. Daarnaast kan de rechtbank echter, behoudens het recht van de verdediging ook harerzijds stukken in het geding te brengen, ter terechtzitting ambtshalve resultaten van het opsporingsonderzoek aan het dossier doen toevoegen. De verdediging heeft de rechtbank gevraagd van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Vast staat dat een getuige, die door de officier van justitie op de terechtzitting van 12 juni j.l. is aangekondigd als in potentie belangrijk voor de waarheidsvinding, ten overstaan van haar een verklaring heeft afgelegd, die kennelijk in een proces-verbaal is neergelegd. Er is mitsdien sprake van een schriftelijk stuk dat als bewijsmiddel zou kunnen dienen. De rechtbank moet vaststellen of de inhoud daarvan redelijkerwijze van belang kan zijn hetzij in voor de verdachte belastende, hetzij in voor hem ontlastende zin. De officier van justitie weigert echter in te gaan op de inhoud van de verklaring. Deze proceshouding stelt de rechtbank voor een dilemma.
Reeds ter terechtzitting van 12 juni j.l. heeft de officier van justitie aangekondigd dat de getuige zou gaan verklaren over de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 1] bij de moord/doodslag op [slachtoffer]. Zij heeft toen, kennelijk ter onderbouwing van het belang van deze getuigenverklaring, verklaard in aanloop naar de inhoudelijke behandeling oorspronkelijk te hebben overwogen tot vrijspraak van [medeverdachte 1] te zullen requireren. Daarmee wordt sterk de indruk gewekt dat de getuigenverklaring redelijkerwijze van belang kan zijn.
Nu de officier van justitie op 12 juni j.l. ook in de zaken van verdachte en [medeverdachte 3] aanhouding heeft gevorderd, stellende dat zij ook die zaken nog niet kon behandelen zolang de bewuste getuige niet was gehoord, dient het er voor te worden gehouden dat die verklaring ook van belang is in de zaak van verdachte.
De officier van justitie heeft betoogd niet op de inhoud van de verklaring in te zullen gaan. In dat verband kan de rechtbank de uitlating van de officier, dat het materiaal geen ander licht op deze zaak laat vallen en dus ook geen ontlastend materiaal bevat, zonder nadere toelichting niet begrijpen. Die uitlating is immers op zich zelf een weergave van de inhoud, niet zozeer naar woord maar wel naar strekking.
De officier van justitie heeft voorts het standpunt ingenomen dat zij niet nader kan ingaan op de redenen waarom het niet tot een afspraak met de getuige is gekomen, aangezien kennisgeving van de afweging die tot de beslissing om niet met de getuige in zee te gaan tot bekendheid met de identiteit van de getuige zou kunnen leiden. Ook deze overweging van de officier van justitie kan de rechtbank de officier van justitie niet zonder nadere toelichting volgen. Binnen het wettelijke systeem wordt een verdachte in de regel bekend met de identiteit van een getuige die een verklaring in zijn strafzaak aflegt. Er kunnen redenen zijn om de identiteit van een getuige daartegen te beschermen. Om dat belang van een getuige te beschermen en toch diens verklaring in een strafzaak te kunnen betrekken, zijn regelingen opgenomen in de artikelen 226a en verder Sv. Door niet te verklaren over de relevantie van het bekend worden van de identiteit van de getuige bij verdachte kan de rechtbank niet vaststellen
a. welk belang de officier wenst te beschermen,
b. of de wet mogelijkheden biedt die belangen te beschermen zonder dat de verklaring van de getuige inhoudelijk aan de kennisneming door verdachte wordt onthouden, dan wel
c. of het beschermde belang dusdanig van aard is dat zulks geheimhouding ook van de inhoud van de verklaring rechtvaardigt.
Waar de wetgever in artikel 33 Sv heeft willen neerleggen groot belang te hechten aan kennisneming door verdachte van alle voor diens strafzaak relevante stukken heeft het bovenstaande de rechtbank tot het voorlopige oordeel gebracht dat in potentie sprake is van een processtuk dat zonder nadere toelichting van de officier van justitie op bovenstaande aspecten op grond van artikel 33 Sv aan het dossier dient te worden toegevoegd.
De officier van justitie heeft nog verklaard gebonden te zijn aan de toezegging die aan de getuige is gedaan en dat het handelen van het openbaar ministerie door het vertrouwensbeginsel wordt geregeerd. De rechtbank begrijpt deze verwijzing naar het vertrouwensbeginsel meer als een feitelijk standpunt dat de officier van justitie in haar relatie met deze getuige heeft dan als een beroep op het beginsel van rechtens opgewekt vertrouwen. Ook dit standpunt kan de rechtbank niet tot een ander oordeel brengen. De rechtbank kan – kort gezegd - begrip opbrengen voor het feit dat het openbaar ministerie enige ruimte nodig heeft voor het verzamelen van bewijsmateriaal in een strafzaak. Het was echter de keuze van de officier van justitie om de getuige reeds een verklaring af te laten leggen in een stadium dat nog geen afspraken waren gemaakt met de getuige over de voorwaarden waaronder die verklaring in het dossier in de onderhavige strafzaak zou worden gevoegd. Waar zij die keuzemogelijkheid had, is het aan het eigen handelen van de officier van justitie te wijten dat zij in een vertrouwensconflict met de getuige terecht is gekomen en kan haar handelen er niet toe leiden dat de evidente belangen van verdachte teniet kunnen worden gedaan.
De rechtbank heeft na beraadslaging de officier van justitie in staat gesteld te reageren op de hierboven genoemde overwegingen en haar uitgenodigd met name een toelichting te geven waar de rechtbank die noodzakelijk achtte voor haar eindoordeel. De officier van justitie heeft geweigerd die toelichting te geven, hoewel daartoe herhaaldelijk te zijn uitgenodigd, en heeft slechts haar weigering de verklaring aan het dossier toe te voegen, herhaald.
De rechtbank gaf reeds als haar voorlopige oordeel dat het zonder nadere toelichting van de officier van justitie op de door de rechtbank hierboven reeds geformuleerde aspecten voor moet worden gehouden dat de kluisverklaring geacht moet worden een processtuk te zijn. Deze noodzakelijke toelichting is door de officier van justitie geweigerd. Mitsdien blijft staan dat de verklaring geacht moet worden te zijn een processtuk, dat in dit stadium van de procedure aan het dossier dient te worden toegevoegd. De rechtbank heeft de officier van justitie dan ook bevolen de kluisverklaring aan het dossier toe te voegen.
De officier van justitie heeft te kennen gegeven hiertoe niet bereid te zijn. De officier van justitie legt daarmee een bevel van de rechtbank naast zich neer. Daarmee wordt weloverwogen een fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde geschonden, waardoor de officier van justitie in deze strafzaak het recht op – verdere vervolging – van verdachte verliest. De rechtbank zal de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte.
3. Beslissing
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Celstraf geëist tegen daders overval Hooglandadd
Celstraf geëist tegen daders overval Hoogland
Mr. Hendrickx en mr. Vlielander stonden de hoofdverdachten bij en hebben gepleit voor een fors lagere straf.
woensdag 15 juni 2011 10:20
AMERSFOORT/ARNHEM (APA) - Drie mannen van 22, 25 en 32 jaar, hangt een gevangenisstraf boven het hoofd voor de brute overval op een 86-jarige inwoner van Hoogland. Zo hoorden zij dinsdag tegen zich eisen na hoger beroep voor het gerechtshof in Arnhem. De vermeende tipgever kan een gevangenisstraf van drie jaar krijgen. Een vierde overvaller is in november door de Utrechtse rechtbank ook veroordeeld tot zeven jaar cel. Hij was de enige die niet in hoger beroep ging.
De hoogbejaarde man werd op zondagochtend 21 maart 2010 op brute wijze overvallen. Direct nadat hij de deur opendeed, richtte een 32-jarige man een pistool op hem. Een 25-jarige man duwde hem de slaapkamer in, terwijl de twee anderen op zoek gingen naar zijn geld. Ondertussen probeerde de 32-jarige het slachtoffer vast te binden met tape. Omdat hij zich verzette, nam de overvaller die niet in hoger beroep ging het over. Die bonsde het hoofd van de hoogbejaarde man meerdere malen op de betonnen vloer. ,,De man had wel dood kunnen zijn'', zo vertelde een van de daders achteraf. Het slachtoffer werd een dag later in een plas bloed aangetroffen. Hij had een zware hersenschudding, gekneusde ribben en ernstige onderkoelingsverschijnselen. De inmiddels 87-jarige woont nu in een verzorgingstehuis.
De overvallers hebben nauwelijks buit gemaakt. Zij zijn gevlucht met 60 euro en wat sieraden. Vermoedelijk zijn de vier afgegaan op een tip van een 30-jarige man uit Zwolle. Hij kende de Hooglander en vertelde de 25-jarige dader uit Hattem dat die zo'n 60 á 70.000 euro in de meterkast had verstopt. Ruim een jaar later komt de Hattemer terug op zijn verklaring. Het was niet de 30-jarige, maar een tipgever waarvan hij uit angst voor wraak de naam niet wil noemen, zo verklaarde hij voor het hof. Het OM vond die verklaring ongeloofwaardig en bleef bij de eis van drie jaar cel.
De 32-jarige en de 25-jarige hangt nog een half jaar extra celstraf boven het hoofd, omdat ze ook verdacht worden van verbodenwapenbezit en de heling van een auto. Het hof doet over twee weken uitspraak.
Rechter gewraakt vanwege weigeren gekozen raadsmanadd
Mr. Hendrickx werd niet toegestaan zijn client te verdedigen. Dit had nimmer mogen geschieden aldus de wrakingskamerOp maandag 16 mei 2011 is in de rechtbank Zwolle een rechter gewraakt.
Veda B. krijgt in Hoger Beroep lagere strafadd
Parketnummer: 24-001701-09
Parketnummer eerste aanleg: 18-630285-08
Arrest van 4 februari 2011 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 22 juni 2009 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1972] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
thans verblijvende in Huis van Bewaring Zwolle te Zwolle,
Verdachte is ter gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, ter terechtzitting van 7 januari 2011, verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht.
Ter terechtzitting van 21 januari 2011, alwaar het onderzoek gesloten is, zijn verdachte en zijn raadsman niet verschenen.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Groningen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en daarbij maatregelen opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.
Gebruik van het rechtsmiddel
De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het verdachte onder 1 tot en met 13 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.
De advocaat-generaal heeft voorts de hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde 1] tot een bedrag van € 50.000,- en [benadeelde 2] tot een bedrag van € 59.948,- gevorderd, met daarbij telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal, reeds hierom omdat de vermelding van de bewijsmiddelen in het vonnis niet adequaat is en een aanvulling op de voet van het bepaalde in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering ontbreekt, het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
De eerste rechter heeft de tenlastelegging in overeenstemming met de vordering van de officier van justitie gewijzigd.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep de tenlastelegging voor wat betreft feit 2 gewijzigd in overeenstemming met de vordering van de advocaat-generaal.
Het hof heeft ten behoeve van de leesbaarheid en begrijpelijkheid van het arrest bij de onder 2, 4, 5 en 10 ten laste gelegde feiten de letters 'A', 'B' en/of 'C' in de tenlastelegging aangebracht.
Het hof beschouwt de in feit 1 bij het achtste gedachtestreepje vermelde naam '[verdachte]' als een kennelijke misslag en leest dit verbeterd als '[medeverdachte 1]'. Hierdoor wordt verdachte niet in enig belang geschaad.
Gelet op de opbouw en de inhoud van het onder 5B ten laste gelegde gaat het hof ervan uit dat de steller van de tenlastelegging heeft beoogd de constructie van medeplegen in de tenlastelegging op te nemen. Het hof zal, nu verdachte hierdoor, blijkens het verhandelde ter terechtzittingen, niet in zijn belangen wordt geschaad, de tenlastelegging verbeterd lezen door na 'Nederland' de woorden '(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen' toe te voegen.
Aan de verdachte is, met inachtneming van het hiervoor vermelde, ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 1 augustus 2008 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een totaalbedrag van 125.000 euro, althans één of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- zich voorgedaan als een bonafide partij, te weten medewerker(s)/specialist(en) van een incassoburo, die tegen een aanbetaling van een bedrag van 1500 euro zou(den) gaan regelen dat de vordering op de ex-vriendin van die [benadeelde 1] ter hoogte van 70.000 euro zou worden geïnd en/of
- die [benadeelde 1] een incassodienst op papier laten zetten en/of
- (meermalen) die [benadeelde 1] meegedeeld dat de zaak bijna was opgelost en/of
- die [benadeelde 1] (meermalen) meegedeeld dat ze zijn ex en haar nieuwe vriend in de gaten hielden en/of dat ze hen bijna zover hadden dat ze gingen betalen en/of
- (meermalen) geldbedragen geïnd (contant en/of via Western Union) bij die [benadeelde 1] teneinde (volgens mededeling van verdachte en/of zijn mededader(s)) gemaakte kosten ten behoeve van de incassowerkzaamheden te betalen en/of
- als die [benadeelde 1] aangaf niet meer te willen betalen meegedeeld "Als je nu niet meer betaalt, dan houden we ermee op en ben je het geld wat je hebt betaald kwijt" en/of "Ik heb er zelf ook geld ingestoken, je moet nu niet stoppen, want de zaak is bijna opgelost". en/of (vervolgens)
- tegen die [benadeelde 1] gezegd dat hij (verdachte en/of zijn medeverdachte) direkt terug zou gaan naar Turkije als die [benadeelde 1] niet zou betalen en/of dat als die [benadeelde 1] niet zou betalen, hij, [benadeelde 1], het zelf maar moest regelen. en/of
- die [benadeelde 1] een schuldbekentenis op papier laten zetten waarin werd gesteld dat verdachte en [medeverdachte 1] een bedrag van 70.000 euro aan die [benadeelde 1] zouden betalen en/of genoemde schuldbekentenis ondertekend en/of
- die [benadeelde 1] meegedeeld dat hij het bedrag van 70.000 euro vermeerderd met rente terug zou krijgen indien hij een bedrag van 7.500 euro zou betalen en een incasso-opdracht zou ondertekenen en/of dat teneinde genoemd bedrag te innen mensen uit Roemenië zouden worden ingezet waardoor die [benadeelde 1] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
art 326 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
2A.
hij op of omstreeks 22 juni 2007 in de gemeente [gemeente 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 10.000 euro en/of een geldbedrag van 100.000 euro, geheel of ten dele toebehorende aan genoemde [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met dat oogmerk,
- [slachtoffer 1] onder het voorwendsel dat hij, verdachte zijn geldschuld aan [slachtoffer 1] wilde aflossen, heeft gevraagd om naar café [bedrijf 2] te komen, en/of (vervolgens)
- bij binnenkomst van [slachtoffer 1] in het café, de (voor)deur op slot heeft gedaan, en/of
- (al schreeuwend en scheldend) van [slachtoffer 1] een bedrag van 10.000 euro heeft geëist, en/of
- [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondertekenen van een schuldbekentenis, en/of
- (vervolgens) van [slachtoffer 1] een bedrag van 100.000 euro heeft geëist en/of
- heeft gedreigd de vrouw en kinderen van [slachtoffer 1] aan te pakken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
EN/OF
2B.
hij op of omstreeks 22 juni 2007 in de gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,
- [slachtoffer 1] onder het voorwendsel dat hij, verdachte, zijn geldschuld aan [slachtoffer 1] af wilde lossen, gevraagd om naar café [bedrijf 2] te komen, en/of (vervolgens)
- bij binnenkomst van [slachtoffer 1] in het café, de (voor)deur op slot gedaan, en/of
- (al schreeuwend en scheldend) van [slachtoffer 1] een bedrag van 10.000 euro geëist, en/of
- [slachtoffer 1] gedwongen tot het ondertekenen van een schuldbekentenis, en/of
- (vervolgens) van [slachtoffer 1] een bedrag van 100.000 euro geëist en/of
- [slachtoffer 1] bedreigd en/of
- gedreigd de vrouw en kinderen van [slachtoffer 1] aan te pakken;
art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht
3.
hij, op één of meerdere tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 augustus 2007 tot 1 augustus 2008 in de gemeente [gemeente 1] en/of elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een man, genaamd [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 10.000 euro en/of een geldbedrag van 2000 euro, althans een of meerdere geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan genoemde [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met dat oogmerk (met een in de tijd steeds groter wordende druk en dreiging),
- die [slachtoffer 3] gedurende 24 uur per dag heeft/hebben gebombardeerd met talloze sms-jes en/of telefoontjes waarin verdachte op een voor die [slachtoffer 3] zeer bedreigende en intimiderende wijze liet(en) merken op de hoogte te zijn van diverse persoonlijke dingen uit het leven van [slachtoffer 3] zoals bijvoorbeeld adresgegevens van hemzelf en van zijn ouders en gegevens van personeelsleden van het bedrijf van [slachtoffer 3], en/of
- die [slachtoffer 3] (talloze) sms-jes heeft/hebben gestuurd met bewoordingen zoals "je hebt nu vijf minuten de tijd om te reageren, anders komen we bij je op de koffie om de zaak af te breken, we slopen je auto, we bezoeken je ouders", en/of
- die [slachtoffer 3] ernstig heeft/hebben geïntimideerd door hem met de auto te volgen en/of met de auto zeer langzaam te rijden langs de diverse locaties waar [slachtoffer 3] zich op dat moment bevond zoals zijn woning of zijn werk en die [slachtoffer 3] daarbij strak aan te kijken, en/of
- die [slachtoffer 3] tijdens een ontmoeting in een hotel heeft/hebben bevolen dat hij, verdachte, 10.000 euro moest hebben en dat hij, verdachte, als die 10.000 euro niet binnen een bepaalde tijd betaald zou zijn, een seintje zou geven aan een zich aan de overkant van het hotel bevindende groep Turken om die [slachtoffer 3] te vermoorden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
4A.
hij op één of meerdere tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 5 juli 2008 tot en met 21 juli 2008, in de gemeente [gemeente 1], en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) 9100 euro, althans één of meer geldbedrag(en), immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), met vorenomschreven oogmerk (zakelijk weergegeven) listig, bedriegelijk en/of in strijd met de waarheid,
- zich voorgedaan bij die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] als een bonafide partij die tegen betaling van een bedrag van in totaal 3000 euro (1500 euro vooraf en 1500 euro achteraf) kon en zou regelen dat (een deel van) de bij een inbraak in de woning van die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] weggenomen goederen (waaronder twee kostbare horloges) bij die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] zouden worden terugbezorgd, en/of
- kort na het eerste contact met die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] aan hem/hen laten weten dat hij had achterhaald wie het brein achter de inbraak was en dat de zaak binnen 24 uur geregeld zou zijn, en/of
- vervolgens aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] laten weten dat er een hele organisatie achter de inbraak zat die onder meer de bedoeling had gehad om die [slachtoffer 5] te gijzelen, en/of
- aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] medegedeeld dat hij, verdachte en of verdachtes mededader(s), [naam 1] in gijzeling had en dat [naam 1] alles had opgebiecht en/of
- aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] verteld dat een man genaamd [naam] inmiddels met de gestolen horloges naar Turkije was vertrokken en/of dat hij, verdachte en/of verdachtes mededaders, een extra geldbedrag van 6000 euro nodig had(den) om mensen naar Turkije te kunnen sturen teneinde de horloges terug te halen, en/of
- die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gewezen op een man die in hun omgeving stond met de mededeling dat deze man hen in de gaten hield en/of aldus aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] de indruk gegeven dat zij werden beveiligd en/of dat hij, verdachte, zijn taak serieus nam, en/of
- vervolgens naar die [slachtoffer 4] gebeld met de mededeling dat hij, verdachte en/of verdachtes mededader(s), van die [slachtoffer 4] 100 euro teveel had ontvangen waardoor bij die [slachtoffer 4] de indruk werd versterkt dat hij, verdachte, een eerlijke man was, en/of
- vervolgens wederom naar die [slachtoffer 4] gebeld met de mededeling dat hij, verdachte en/of verdachtes mededader(s), een bedrag van 2000 euro extra nodig had omdat hij, verdachte en/of verdachtes mededader(s), de gestolen spullen persoonlijk uit Turkije op moest gaan halen en/of - na ontvangst van een extra betaling door [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] van 1500 euro tegen [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gezegd dat alles goed zou komen,
waardoor die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;
EN/OF
4B.
hij, op één of meerdere tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 22 juli 2008 tot en met 6 augustus 2008, in de gemeente [gemeente 1], en/of elders in Nederland, en/of Frankrijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] te dwingen tot de afgifte een geldbedrag van 25.000 euro, althans een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met dat oogmerk (met een in de tijd steeds groter wordende druk en dreiging),
- die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft opgebeld met de mededeling dat hij, verdachte en/of verdachtes mededader(s), vanuit Turkije belde(n) en/of dat die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] voor 5 augustus 2008 25.000 euro moesten betalen aan een PKK leider omdat diens zoon per ongeluk van een rif was gegooid, en/of
- die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] de woorden heeft toegevoegd "Maak je geen zorgen, ik regel dit. Maar wees op je hoede. Dit is geen kleine organisatie", en/of (vervolgens)
- die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] wederom heeft opgebeld met de mededeling dat ze zouden worden doodgeschoten als ze niet met geld over de brug zouden komen, en/of
- die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] vervolgens heeft opgebeld met de mededeling dat hij, verdachte en/of verdachtes mededader(s), zich nu weer in Nederland bevond(en) en dat ze allemaal opgeblazen zouden worden als er geen geld kwam, en/of
- bij die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] op bezoek is geweest in gezelschap van een Turkse man, welke man door hem, verdachte, werd voorgesteld als de grote leider van de PKK uit Amsterdam, en/of welke man aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] de woorden heeft toegevoegd "Jij en [slachtoffer 5] hebben een goede vriend van ons, de zoon van het hoofd PKK leider, van een rif gegooid. Jullie worden beboet met 25.000 euro. Dit moet uiterlijk 8 augustus 2008 geregeld zijn omdat jullie de opdrachtgever zijn, en anders blazen we jullie allemaal op", en/of
- vervolgens tegen die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft gezegd "Je zal echt met geld moeten komen, ik en mijn gezin lopen nu door jullie gevaar" en/of
- wederom die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft opgebeld en gezegd "Regel dit geld nou, anders komen we bij jou. Ik zet niet alles op het spel", en/of "ik stuur vanmiddag iemand onzichtbaar bij je langs, wees maar op je hoede.",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
EN/OF
4C.
hij in of omstreeks de periode van 7 augustus 2008 tot en met 9 augustus 2008, in de gemeente [gemeente 1], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van 3500 euro, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, met vorenomschreven oogmerk (zakelijk weergegeven) listig, bedriegelijk en/of in strijd met de waarheid,
- aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] medegedeeld dat ze belazerd waren maar dat er een oplossing zou worden gevonden en/of
- aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] beloofd dat hij, verdachte, in ruil voor het afzien van het doen van aangifte, ervoor zou zorgen dat ze de uit de woning van die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gestolen goederen alsmede de reeds betaalde geldsom van 9100 euro terug zouden krijgen, en/of
- aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gezegd dat het boek pas gesloten kon worden als ze een bedrag van 3500 euro hadden betaald aan twee Koerden, en/of
- aan die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] gezegd dat hij, verdachte, een man was van zijn woord en dat het nooit zijn bedoeling was geweest dat er een afpersingszaak achter weg zou komen, en/of
- in bijzijn van die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] een contract opgesteld met daarin ondermeer opgenomen de afspraak dat de bedreigingen met ingang van 7 augustus op zouden houden alsmede de afspraak dat het bedrag van 9100 euro aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] teruggegeven zouden worden,
waardoor die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;
art 326 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
5A.
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2008 tot en met 10 september 2008, in de gemeente [gemeente 2] en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 2], heeft bewogen tot de afgifte van een bedrag van 3750 euro en/of een bedrag van 3000 euro, in elk geval een of meer geldbedrag(en),
immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), met vorenomschreven oogmerk (zakelijk weergegeven) listig, bedriegelijk en/of in strijd met de waarheid
- zich voorgedaan bij die [benadeelde 2] als een bonafide partij die tegen betaling van een bedrag van 3750 euro kon en zou regelen dat die [benadeelde 2] beveiligd zou worden en/of
- die [benadeelde 2] toegezegd dat tegen (een) (aan)betaling van een bedrag van 3000 euro kon en zou worden geregeld dat [naam 2] een bedrag van 120.000 euro zou betalen aan die [benadeelde 2],
waardoor die [benadeelde 2] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
EN/OF
5B.
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2008 tot en met 10 september 2008, in de gemeente [gemeente 2], en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, onder meer op een of meer openbare wegen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 2], heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), tot een totaal van ongeveer 51.204,50 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [benadeelde 2] (meermalen) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [benadeelde 2] (meermalen) de woorden heeft/hebben toegevoegd:
- "Ik heb gehoord dat het anders (als er niet betaald zou worden) niet goed gaat aflopen met jou" en/of
- "Als jij mij geen geld betaalt dan schiet ik je gezin overhoop" en/of
- "Als [slachtoffer 6] hiermee te maken heeft, dan schiet ik hem kapot" en/of
- "Jij gaat eraan, je gaat er helemaal aan. Je krijgt straf en gaat mij betalen, veel betalen, ik heb mij zo kwaad gemaakt." en/of
- "Ik stuur een stel Turken op je af" en/of
- "Jullie gaan er allemaal aan.",
althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
art 326 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
6.
hij, op één of meerdere tijdstip(pen), in of omstreeks 1 mei 2008 tot en met 14 oktober 2008 in de gemeente [gemeente 1] en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van (in totaal) ongeveer 35.750 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan genoemde [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):
- die [slachtoffer 2] dagelijks talloze sms-jes heeft/hebben gestuurd met bewoordingen zoals "als je niet betaalt, zal ik levenslang achter je aanzitten", "ik weet waar je bent", "je hebt levenslang" en/of "je bent al dood, ik weet alleen nog niet wanneer", en/of
- die [slachtoffer 2] op dreigende wijze de woorden heeft/hebben toegevoegd "ik trek je kop eraf", en/of
- die [slachtoffer 2] op intimerende wijze heeft/hebben laten weten op de hoogte te zijn van diverse persoonlijke dingen uit het leven van die [slachtoffer 2] zoals bijvoorbeeld de adresgegevens van de ex-vrouw en vriendin van [slachtoffer 2] en/of zakelijke gegevens van de broer van [slachtoffer 2], en/of
- voor de woning van de vriendin van [slachtoffer 2] heeft/hebben staan schreeuwen op een wijze die genoemde vriendin als ernstig bedreigend heeft ervaren, en/of
- het zoontje van [slachtoffer 2] (die tijdens een ontmoeting bij het restaurant MacDonalds door [slachtoffer 2] was meegenomen) bij de schouder heeft/hebben beetgepakt en [slachtoffer 2] daarbij op dreigende wijze de woorden heeft/hebben toegevoegd "ik hoef alleen maar te knijpen en hij is weg" en/of
- gedurende een van de ontmoetingen met [slachtoffer 2] een pistool, althans een vuurwapen, aan die [slachtoffer 2] heeft/hebben getoond, althans een pistool zichtbaar aanwezig heeft/hebben gehad;
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
7.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 juli 2008 tot en met 12 juli 2008, in de gemeente [gemeente 1], en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een man, genaamd [slachtoffer 7], heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 400 euro, althans een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 7], op verschillende tijdstippen, (zakelijk weergegeven) de woorden heeft/hebben toegevoegd:
- "je weet wel wie je aan de lijn hebt, ik heb geld nodig", en/of
- "je moet mij dat geld geven anders krijg jij of je zoon een kogel door de kop", en/of
- "ik heb mannen laten komen om jou koud te maken", en/of
- "je weet nog lang niet wie ik ben en daar zul je nog wel achter komen," en/of (vervolgens), (tijdens een op aandringen van verdachte en/of zijn mededader(s) gearrangeerde ontmoeting gedurende welke ontmoeting verdachte zijn jas een stukje opende en vanuit een in zijn binnenzak gestoken krant de kolf van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 7] toonde)
- "jij weet niet wie ik ben, ik heb vier man vanuit [plaats 3] laten komen en die hebben hotelkosten gemaakt", en/of
- "ik weet alles van jou en je zoon, ik weet dat je kanker hebt en dat je een stoma hebt en ik weet met wie je zoon verkering heeft gehad", en/of
- "de hotelkosten van de mannen uit [plaats 3] bedragen vierduizend euro en die moet jij vergoeden", en/of
- "je moet met geld over de brug komen" en/of
- "je mag niet eerder weg dan wanneer ik geld van jou heb gekregen",
althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking;
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Subsidiair:
hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 juli 2008 tot en met 12 juli 2008, in de gemeente [gemeente 1], en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 7], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk tegen die [slachtoffer 7] gezegd:
- "je moet mij dat geld geven anders krijg jij of je zoon een kogel door de kop", en/of
- "ik heb mannen laten komen om jou koud te maken", en/of
- "je weet nog lang niet wie ik ben en daar zul je nog wel achter komen,"
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
8.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 15 februari 2008 te [plaats 4] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 8] en/of [bedrijf 1] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van in totaal 19.500 euro, althans één of meerdere geldbedragen, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid
- zich voorgedaan als financieel adviseur van de firma [bedrijf 3] en/of
- de indruk gewekt in die functie bevoegd te zijn om schadebedragen namens de firma [bedrijf 3] te innen en/of
- met die [slachtoffer 8] is overeengekomen dat hij, verdachte, in ruil voor de uitbetaalde schadebedragen, ervoor zou zorgen dat de 14.000 euro aan premies zouden worden betaald aan die [slachtoffer 8] en/of [bedrijf 1]
waardoor die [slachtoffer 8] en/of [bedrijf 1] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
art 326 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
9.
hij in of omstreeks 15 februari 2008 tot en met 30 april 2008 te [plaats 4], althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 8] en/of [bedrijf 1] te dwingen tot de afgifte van een of meer geldbedragen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 8] en/of [bedrijf 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met dat oogmerk
- die [slachtoffer 8] gevraagd heeft om meer schadebedragen uit te betalen en/of (vervolgens) (op het moment dat die [slachtoffer 8] niet meer wilde betalen)
- tegen die [slachtoffer 8] heeft gezegd: "het kan ook anders geregeld worden met een 9 mm" en/of "op afpersing staat drie maanden, ik kan zo weer opnieuw beginnen" en/of
- zich tijdens zijn bezoeken aan die [slachtoffer 8] liet vergezellen door een paar mannen en/of
- naar die [slachtoffer 8] (meerdere) sms-berichten heeft gestuurd met (onder andere) de tekst "ik verras jullie allemaal. iedereen gaat nu mijn slechte kant zien." en/of "praat jij maar zo stoer door telefoon dat vind ik juist leuk" en/of
- die [slachtoffer 8] (meermalen) telefonisch heeft bedreigd dat hij zijn vrouw zou verkrachten waar die [slachtoffer 8] bij zou zijn.",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 augustus 2008 tot en met 30 april 2008 te [plaats 4], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 8] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend
- tegen die [slachtoffer 8] gezegd: "het kan ook anders geregeld worden met een 9 mm" en/of "op afpersing staat drie maanden, ik kan zo weer opnieuw beginnen en/of
- naar die [slachtoffer 8] (meerdere) sms-berichten gestuurd met (onder andere) de tekst "ik verras jullie allemaal. iedereen gaat nu mijn slechte kant zien." en/of "praat jij maar zo stoer door telefoon dat vind ik juist leuk" en/of
- die [slachtoffer 8] (meermalen) telefonisch bedreigd dat hij zijn vrouw zou verkrachten waar die [slachtoffer 8] bij zou zijn.",
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
10A.
hij op of omstreeks 30 januari 2008 in de gemeente [gemeente 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een man genaamd [slachtoffer 9] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 14 euro, althans een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 9] en/of de organisatie "[bedrijf 4]", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met dat oogmerk een beveiligingsmedewerker van voornoemde organisatie, te weten [slachtoffer 10], de woorden heeft toegevoegd "Als ik die 14 euro niet van hem krijg, dan maak of schiet ik hem af", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, welke woorden gericht waren tegen genoemde [slachtoffer 9] en welke woorden ter kennis zijn gekomen van die [slachtoffer 9], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
EN/OF
10B.
hij op of omstreeks 30 januari 2008 in de gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 9]) met een tot vuist gebalde hand in het gezicht heeft geslagen, (vervolgens) heeft vastgepakt en met kracht tegen een glazen plaat heeft gegooid en/of meerdere malen tegen diverse plekken van het lichaam heeft geschopt en/of geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 9] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
EN/OF
10C.
hij op of omstreeks 30 januari 2008 in de gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 9] de woorden toegevoegd "Nu wordt het persoonlijk en vanaf nu moet je altijd achterom kijken. Ik weet je te vinden" en/of heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk tegen een persoon genaamd [slachtoffer 10] de woorden uitgesproken "zeg tegen [slachtoffer 9] dat ik mijn 14 euro terug wil hebben, anders neem ik mijn negen millimeter mee en schiet ik hem neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke tegen [slachtoffer 10] uitgesproken woorden voornoemde [slachtoffer 9] kennis heeft gekregen;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
11.
hij op of omstreeks 30 januari 2008 in de gemeente [gemeente 1], [slachtoffer 11] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (terwijl hij zijn vinger tegen de borst van [slachtoffer 11] duwde) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 11] dreigend de woorden toegevoegd :"Je moet weggaan. Ga nu weg of ik maak je kapot. Ik sla je verrot" en/of "jou pak ik ook, dit is geen dreigement, maar een belofte", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht
12.
hij op of omstreeks 09 september 2008 in de gemeente [gemeente 1], [slachtoffer 12] (in diens hoedanigheid van fraudecontroleur bij sociale dienst van de gemeente [gemeente 1]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 12] (telefonisch) dreigend de woorden toegevoegd "ik graaf jouw gat ook" en/of meerdere malen "als jij mij pakt, pak ik jou ook", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht
13.
hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2006 tot en met 13 september 2008 te [plaats 5] en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van personen, bestaande uit (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer anderen en verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het verkrijgen van (omvangrijke) geldbedragen door middel van het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichtingen en/of het -al dan niet met gebruikmaking van (een) vuurwapen(s)- plegen van afpersing en/of gijzeling (strafbaar gesteld in de artikelen 326 en/of 317 en/of 282a Wetboek van Strafrecht).
art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Vrijspraak
Feit 2A:
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2A ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. In het bijzonder vormen de verklaringen van [slachtoffer 1] een onvoldoende sterke basis om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Feit 2B:
Verdachte is onder 2 B ten laste gelegd dat hij, al dan niet tezamen en in vereniging met (een) ander(en), [slachtoffer 1] in café [bedrijf 2] te [plaats 5] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd dan wel beroofd heeft gehouden. Uit de stukken, in het bijzonder uit het proces-verbaal van het verhoor bij de rechter-commissaris op 12 augustus 2010, volgt dat [slachtoffer 1] uit eigen vrije wil in het café is gebleven omdat hij zijn geld wilde krijgen. Onder die omstandigheden acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd dan wel beroofd gehouden. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.
Feiten 4A, 4B en 4C:
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 4A en 4B heeft (mede)gepleegd, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Feit 4C levert, bezien zonder de samenhang met de feiten 4A en 4B, geen oplichting op in strafrechtelijke zin, maar veeleer de situatie dat verdachte met [slachtoffer 4] een civielrechtelijke overeenkomst is aangegaan waarvan niet vaststaat dat deze ook kon worden nagekomen. Verdachte dient daarom van feit 4C te worden vrijgesproken.
Feit 5A:
Het onder 5A ten laste gelegde brengt het hof niet tot het oordeel dat er sprake is van een strafrechtelijk verwijt in de zin van oplichting, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Daartoe overweegt het hof dat van de onder het eerste gedachtestreepje toegezegde beveiliging niet is komen vast te staan dat deze in het geheel niet geregeld is. Het onder het tweede gedachtestreepje tenlastegelegde betreft veeleer de situatie dat verdachte (met een ander of anderen) met [benadeelde 2] een civielrechtelijke overeenkomst is aangegaan, welke uiteindelijk niet tot het door [benadeelde 2] beoogde resultaat heeft geleid. Mogelijk valt dit als civielrechtelijke wanprestatie te beschouwen maar dit levert als zodanig nog geen oplichting op in strafrechtelijke zin.
Feit 6:
Op basis van de stukken en het verhandelde ter zittingen kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het feit heeft (mede)gepleegd. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het hem onder 6 ten laste gelegde.
Feit 8:
Het onder 8 ten laste gelegde brengt het hof niet tot het oordeel dat er sprake is van een strafrechtelijk verwijt in de zin van oplichting. Verdachte mocht zich presenteren als gemachtigde van de firma [bedrijf 3], zoals onder het eerste en tweede gedachtestreepje opgenomen, en de onder het derde gedachtestreepje genoemde transactie is (zo niet geheel dan toch voor een belangrijk deel) gerealiseerd. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van oplichting in strafrechtelijke zin, zodat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.
Feit 9:
Verdachte zal van feit 9, zowel in de primaire als in de subsidiaire variant, worden vrijgesproken omdat er onvoldoende steunbewijs voorhanden is.
Feit 13:
Verdachte wordt in feit 13 - kort gezegd - verweten te hebben deelgenomen aan een criminele organisatie. Het hof zal verdachte van dit feit vrijspreken nu er op basis van de stukken en het verhandelde ter zittingen onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het aannemen van een min of meer duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad. Van het bestaan van gemeenschappelijke regels of een gemeenschappelijke doelstelling blijkt uit het dossier onvoldoende. Slechts ter zake van de feiten 1 en 5B is sprake van medeplegen met een of meer van de in feit 13 genoemde personen. Uit deze feiten valt echter geen duidelijk en vast patroon van handelen af te leiden.
Het hof acht aldus niet bewezen hetgeen onder 2A, 2B, 4A, 4B, 4C, 5A, 6, 8, 9 primair, 9 subsidiair en 13 aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Verweren
Feit 1:
De raadsman heeft aangevoerd dat het onder 1 ten laste gelegde feit geen oplichting in strafrechtelijke zin betreft, maar dat het ten laste gelegde dient te worden beschouwd als een onrechtmatige daad op de voet van het bepaalde in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.
Een aantal bewijsbare elementen in de tenlastelegging - mededelingen of uitlatingen van verdachte en/of zijn mededader(s) - zijn in strijd met de waarheid zoals die op dat moment bij verdachte en zijn mededader(s) bekend was of moest zijn. Zo is aan [benadeelde 1] meegedeeld dat de zaak bijna was opgelost en is [benadeelde 1] meermalen meegedeeld dat zijn ex en haar nieuwe vriend in de gaten werden gehouden en dat verdachte en zijn mededader(s) hen bijna zover hadden dat ze gingen betalen. Verder hebben verdachte en zijn mededaders(s) meegedeeld dat [benadeelde 1] het bedrag van € 70.000,- vermeerderd met rente terug zou krijgen indien hij een bedrag van € 7.500,- zou betalen en een incasso-opdracht zou ondertekenen. Voor de mogelijke juistheid van deze uitlatingen en mededelingen biedt het dossier geen steun. Gelet hierop kan worden bewezen dat verdachte en/of zijn mededader(s) gebruik hebben gemaakt van listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels.
Het verweer van de raadsman, dat geen sprake is van medeplegen, faalt. De betrokkenheid van verdachte bij dit feit kan in het bijzonder worden vastgesteld op grond van de verklaring van verdachte bij de politie (dossierparagraaf 39.15).
Feit 3:
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat in de verklaring van de getuige [getuige 1] (dossierparagraaf 26.3) voldoende steun kan worden gevonden voor de verklaringen van aangever.
Feit 5B:
De raadsman heeft voor dit feit vrijspraak bepleit omdat aangeefster wisselend en op onderdelen tegenstrijdig heeft verklaard. Het hof volgt de raadsman hierin niet. Aangaande de kern van het verwijt, dat zij gedwongen is om geldbedragen af te geven, heeft aangeefster niet wisselend of tegenstrijdig verklaard. In combinatie met de sms-berichten die door verdachte zijn verzonden is voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen.
Feit 7:
Naar het oordeel van het hof geven de verklaringen van getuige [getuige 2] bij de politie (dossierparagraaf 16.4) en de rechter-commissaris en de gegevens van de telefoon van verdachte voldoende steun aan de verklaring van aangever. Daarom komt het hof tot bewezenverklaring van dit feit.
Feiten 10A, 10B, 10C:
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dat er ten aanzien van feit 10A onvoldoende steunbewijs voorhanden is. Naast de verklaringen van aangever [slachtoffer 9], afgelegd bij de politie en de rechter-commissaris, is er voldoende steunbewijs op grond van de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] (bij de politie) en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] (bij de politie en de rechter-commissaris).
Voorts treft het subsidiair gevoerde verweer van de raadsman, inhoudende dat een rechtspersoon niet kan worden afgeperst, reeds hierom geen doel nu hier sprake is van een poging tot afpersing van een natuurlijk persoon. Dat [slachtoffer 9] laconiek reageerde op de uitlatingen van verdachte brengt niet mee dat van een strafbare poging tot afpersing geen sprake is. De uitlatingen van verdachte kunnen niet als absoluut ondeugdelijke poging worden beschouwd.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de bedreiging zoals ten laste gelegd in feit 10C van dien aard en onder zodanige omstandigheden is begaan, dat bij aangever [slachtoffer 9] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen.
Feit 11:
In tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is de bedreiging naar het oordeel van het hof van dien aard en onder zodanige omstandigheden begaan, dat bij aangever [slachtoffer 11] (maar ook in het algemeen) de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.
Bewezenverklaring
Het hof acht ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:
1.
hij in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 1 augustus 2008 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van een totaalbedrag van in ieder geval 125.000 euro, hebbende verdachte en zijn mededaders toen aldaar met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- zich voorgedaan als een bonafide partij, te weten medewerkers/specialisten van een incassoburo, die tegen een aanbetaling van een bedrag van 1500 euro zouden gaan regelen dat de vordering op de ex-vriendin van die [benadeelde 1] ter hoogte van 70.000 euro zou worden geïnd en
- die [benadeelde 1] een incassodienst op papier laten zetten en
- meermalen die [benadeelde 1] meegedeeld dat de zaak bijna was opgelost en
- die [benadeelde 1] meermalen meegedeeld dat ze zijn ex en haar nieuwe vriend in de gaten hielden en/of dat ze hen bijna zover hadden dat ze gingen betalen en
- als die [benadeelde 1] aangaf niet meer te willen betalen meegedeeld "Als je nu niet meer betaalt, dan houden we ermee op en ben je het geld wat je hebt betaald kwijt" en "Ik heb er zelf ook geld ingestoken, je moet nu niet stoppen, want de zaak is bijna opgelost" en vervolgens
- tegen die [benadeelde 1] gezegd dat hij (verdachte) direkt terug zou gaan naar Turkije als die [benadeelde 1] niet zou betalen en dat als die [benadeelde 1] niet zou betalen, hij, [benadeelde 1], het zelf maar moest regelen en
- die [benadeelde 1] een schuldbekentenis op papier laten zetten waarin werd gesteld dat verdachte en [medeverdachte 1] een bedrag van 70.000 euro aan die [benadeelde 1] zouden betalen en genoemde schuldbekentenis ondertekend en
- die [benadeelde 1] meegedeeld dat hij het bedrag van 70.000 euro vermeerderd met rente terug zou krijgen indien hij een bedrag van 7.500 euro zou betalen en een incasso-opdracht zou ondertekenen en dat teneinde genoemd bedrag te innen mensen uit Roemenië zouden worden ingezet,
waardoor die [benadeelde 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
3.
hij in de periode van 1 augustus 2007 tot 1 augustus 2008 in de gemeente [gemeente 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld een man, genaamd [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 10.000 euro, toebehorende aan genoemde [slachtoffer 3], met dat oogmerk die [slachtoffer 3] tijdens een ontmoeting in een hotel heeft bevolen dat hij, verdachte, 10.000 euro moest hebben en dat hij, verdachte, als die 10.000 euro niet binnen een bepaalde tijd betaald zou zijn, een seintje zou geven aan een zich aan de overkant van het hotel bevindende groep Turken om die [slachtoffer 3] te vermoorden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
5B.
hij in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 10 september 2008, in de gemeente [gemeente 2] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen tot een totaal van ongeveer 51.204,50 euro, toebehorende aan die [benadeelde 2] en/of [slachtoffer 6], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte of zijn mededader die [benadeelde 2] de woorden heeft toegevoegd:
- "Als jij mij geen geld betaalt dan schiet ik je gezin overhoop" en
- "Als [slachtoffer 6] hiermee te maken heeft, dan schiet ik hem kapot" en
- "Jij gaat eraan, je gaat er helemaal aan. Je krijgt straf en gaat mij betalen, veel betalen, ik heb mij zo kwaad gemaakt." en
- "Ik stuur een stel Turken op je af" en
- "Jullie gaan er allemaal aan.";
7 primair.
hij in de periode van 6 juli 2008 tot en met 12 juli 2008, in de gemeente [gemeente 1], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld een man, genaamd [slachtoffer 7], heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 400 euro, toebehorende aan die [slachtoffer 7], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte of zijn mededader die [slachtoffer 7], op verschillende tijdstippen, (zakelijk weergegeven) de woorden heeft toegevoegd:
- "je weet wel wie je aan de lijn hebt, ik heb geld nodig", en
- "je moet mij dat geld geven anders krijg jij of je zoon een kogel door de kop", en
- "ik heb mannen laten komen om jou koud te maken", en
- "je weet nog lang niet wie ik ben en daar zul je nog wel achter komen," en
- "jij weet niet wie ik ben, ik heb vier man vanuit [plaats 3] laten komen en die hebben hotelkosten gemaakt", en
- "ik weet alles van jou en je zoon, ik weet dat je kanker hebt en dat je een stoma hebt en ik weet met wie je zoon verkering heeft gehad", en
- "de hotelkosten van de mannen uit [plaats 3] bedragen vierduizend euro en die moet jij vergoeden", en
- "je moet met geld over de brug komen" en
- "je mag niet eerder weg dan wanneer ik geld van jou heb gekregen";
10.A
hij op 30 januari 2008 in de gemeente [gemeente 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld een man genaamd [slachtoffer 9] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 14 euro, toebehorende aan de organisatie "[bedrijf 4]", met dat oogmerk een beveiligingsmedewerker van voornoemde organisatie, te weten [slachtoffer 10], de woorden heeft toegevoegd "Als ik die 14 euro niet van hem krijg, dan maak of schiet ik hem af", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, welke woorden gericht waren tegen genoemde [slachtoffer 9] en welke woorden ter kennis zijn gekomen van die [slachtoffer 9], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
EN
10B.
hij op 30 januari 2008 in de gemeente [gemeente 1], opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 9]) met een tot vuist gebalde hand in het gezicht heeft geslagen, (vervolgens) heeft vastgepakt en met kracht tegen een glazen plaat heeft gegooid en meerdere malen tegen diverse plekken van het lichaam heeft geschopt en geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 9] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;
EN
10C.
hij op 30 januari 2008 in de gemeente [gemeente 1], [slachtoffer 9] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 9] de woorden toegevoegd "Nu wordt het persoonlijk en vanaf nu moet je altijd achterom kijken. Ik weet je te vinden" en heeft verdachte opzettelijk tegen een persoon genaamd [slachtoffer 10] de woorden uitgesproken "zeg tegen [slachtoffer 9] dat ik mijn 14 euro terug wil hebben, anders neem ik mijn negen millimeter mee en schiet ik hem neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke tegen [slachtoffer 10] uitgesproken woorden voornoemde [slachtoffer 9] kennis heeft gekregen;
11.
hij op 30 januari 2008 in de gemeente [gemeente 1], [slachtoffer 11] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte (terwijl hij zijn vinger tegen de borst van [slachtoffer 11] duwde) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 11] dreigend de woorden toegevoegd :"Je moet weggaan. Ga nu weg of ik maak je kapot. Ik sla je verrot" en/of "jou pak ik ook, dit is geen dreigement, maar een belofte";
12.
hij op 09 september 2008 in de gemeente [gemeente 1], [slachtoffer 12] (in diens hoedanigheid van fraudecontroleur bij sociale dienst van de gemeente [gemeente 1]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 12] (telefonisch) dreigend de woorden toegevoegd "ik graaf jouw gat ook" en meerdere malen "als jij mij pakt, pak ik jou ook".
Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld 1, 3, 5B, 7 primair, 10A, 10B, 10C, 11 en 12 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.
Indien cassatie wordt ingesteld, zal dit arrest op de voet van artikel 415 juncto artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, worden aangevuld.
Kwalificatie
Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:
* feit 1: medeplegen van oplichting;
* feit 3: poging tot afpersing;
* feit 5B: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
* feit 7 primair: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
* feit 10A: poging tot afpersing;
* feit 10B: mishandeling;
* feit 10C: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
* feit 11: bedreiging met zware mishandeling;
* feit 12: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Strafbaarheid
Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich in een periode van ruim twee jaren schuldig gemaakt aan oplichting en afpersingen, gepleegd met een ander of anderen. Verdachte en zijn mededader(s) hebben op geslepen wijze slachtoffers geld afhandig gemaakt. Zo boden verdachte en/of zijn mededader(s) zichzelf aan als bemiddelaar bij zakelijke geschillen. Via listige kunstgrepen en/of elkaar onderling versterkende leugens dan wel het opbouwen van druk, waarbij bedreiging met geweld niet werd geschuwd, werden de slachtoffers ertoe gebracht geld af te geven.
De strafwaardigheid van deze delicten vindt vooral een grondslag in het feit dat de slachtoffers, die zich mogelijk in een kwetsbare positie bevonden, zich hiertegen niet of nauwelijks konden verdedigen en geen andere uitweg zagen dan te betalen.
Daarnaast heeft verdachte tot twee keer toe getracht een ander, door te dreigen met geweld, geld afhandig te maken.
Voorts heeft verdachte zich in die periode schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van personen. Door zijn handelen heeft verdachte pijn en letsel bij het mishandelde slachtoffer veroorzaakt en diens lichamelijke integriteit aangetast. Verder heeft hij gevoelens van angst bij de bedreigde personen veroorzaakt.
Het hof heeft bij de bepaling van de straf tevens gelet op een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 december 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder wegens afpersing is veroordeeld tot een aanzienlijke gevangenisstraf. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden dezelfde en andersoortige strafbare feiten te plegen.
Het hof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van de door de verdachte begane strafbare feiten van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden is. De ernst van de feiten, in samenhang met de recidive, laat oplegging van een lichtere straf niet toe.
Benadeelde partijen
[benadeelde 1] (feit 1)
Uit het onderzoek ter terechtzittingen van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat deze zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.
De benadeelde partij heeft door het onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreekse schade geleden, welke schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering tot een bedrag van € 125.000,- toewijzen nu deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt, met dien verstande, dat indien dit bedrag door één of meer van de mededaders geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.
Het hof bepaalt dat het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is nu behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in de vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding en dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.
[benadeelde 2] (feit 5)
Uit het onderzoek ter terechtzittingen van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat deze zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.
De benadeelde partij heeft door het onder 5B bewezenverklaarde feit rechtstreekse schade geleden, welke schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering tot een bedrag van € 51.204,50 toewijzen nu deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt, met dien verstande, dat indien dit bedrag door één of meer van de mededaders geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.
Het hof bepaalt dat het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is nu behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in de vordering in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en verdachte, als over en weer deels in het ongelijk gestelde partijen, ieder de eigen kosten te dragen van het geding en dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Aan verdachte zal daarnaast de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag ten behoeve van voornoemd slachtoffer.
Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 285, 300, 312, 317 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte onder 2A, 2B, 4A, 4B en 4C, 5A, 6, 8, 9 primair, 9
Bewoners woonwagen boos over politieoptreden!add
Bewoners woonwagen boos over politieoptreden
door Paolo Laconi. donderdag 27 januari 2011 | 07:00 | Laatst bijgewerkt op: donderdag 27 januari 2011 | 09:12
Tekstgrootte 

Dientje van Lies in een van de kamers die tijdens de huiszoeking door de politie overhoop is gehaald. ,,Al staan ze hier honderd keer op de stoep, ons krijgen ze niet klein.'' foto Ab Hakeboom
DEVENTER - De ochtend na de huiszoeking van een politieteam in twee woonwagens op het kampje aan de Zweedsestraat zijn de sporen van het bezoek nog duidelijk zichtbaar.
Keukenkastjes zijn overhoop gehaald, kledingkasten leeggetrokken en lepels en vorken uit een bestekkoffer liggen her en der over de vloerbedekking verspreid.
,,Ik heb hier geen goed woord voor over'', zegt Mienie van Lies (32) ,,Met vijftig agenten stonden ze hier op de stoep. Zowel bij mij als bij mijn moeder hebben ze er een bende van gemaakt.''
,,We zijn als honden behandeld'', vult Dientje van Lies haar dochter aan. ,,Het kost me een paar dagen om alles weer netjes te krijgen. Van mij mag de politie hier elke dag komen, maar laat ze de boel wel een beetje netjes houden. Dit is zo onnodig en overdreven.''
Vorig jaar mei deed de politie ook een huiszoeking op hetzelfde adres. Dientje: ,,Toen vonden ze, net als nu, ook al niets. Ze weten dat hier niets te halen valt, en toch rukken ze massaal uit en halen alles overhoop. Het lijkt op jennen.''
De huiszoekingen maken deel uit van een onderzoek dat de politie uitvoert naar de echtgenoten van Mienie en Dientje van Lies in verband met mogelijke handel in hennep en witwaspraktijken. Beide mannen zitten momenteel in voorlopige hechtenis in Duitsland. Volgens een woordvoerder van de politie is enkel de administratie van beide huishoudens meegenomen. ,,Onzin'', zegt Mienie. ,,Verjaardagskaarten van mijn man aan onze twee dochters en persoonlijke brieven kun je moeilijk administratie noemen. Mijn kinderen lazen die brieven altijd voor het naar bed gaan, dat kan nu niet meer.''
Het vervelendst vinden beide vrouwen het voor de kinderen. ,,Voor mijn dochters is dit heel erg'', zegt Mienie. ,,Zij kwamen nietsvermoedend thuis van school en zagen dat de woonwagen overhoop lag. Ze zitten vol spanning en krijgen er een trauma van. Dat steekt me.'' ,,Dit politieoptreden zet ons in een kwaad daglicht'', vindt Dientje. ,,Maar geloof mij: onze mannen zijn zeker geen heilige boontjes, maar met criminele zaken als witwassen en hennephandel hebben ze niets te maken.''
Maximale werkstraf na inrijden op agent add
Mr. Vlielander staat hoofdverdachte in grote afpersingszaak bijadd
Het Openbaar Minsterie heeft in hoger beroep acht en zes en een half jaar cel geëist Freddie L. en Veda B. die in een criminele organisatie mensen zouden heben opgelicht en afgeperst. Die eis ligt hoger dan de straffen die de rechtbank van Groningen oplegde in 2009: vijf en zes jaar. De angst voor de afpersers die vooral in Noord-Nederland opereerden zat er zo goed in dat de politie in 2008 in het openbaar gedupeerden opriep om aangifte te doen.
De groep rond Freddie en Veda deden incasso- en afpersklussen op aanvraag. Zelf maakten ze ook slachtoffers, waarbij ze gaandeweg steeds extremere dreigementen uitten om angst te zaaien.
De zaak kwam onder de aandacht door een reportage in De Telegraaf over Veda B. een Nederlander van Turkse afkomst.
In het onderzoek betrapte de recherche op heterdaad bij een afpersing in Drenthe, die volledig op beeld en geluid is vastgelegd.
De twee verdachten stelden zelf hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank.
Lees ook:
|
Nieuws - Rechtszaak |
|
maandag 10 januari 2011 18:49 |
|

|
Lees ook:
Afpersers Veda B. en Freddy L. woest na veroordeling
OM erkent fouten in moordzaak Gert Nijkamp
Angst voor opgepakte Veda B. nog altijd groot
Straffen tot 44 maanden cel voor plofkrakers, Mr. Vlielander verdedigt...add
Straffen tot 44 maanden cel voor plofkrakers
|
Uitgegeven: |
24 december 2010 16:29 |
|
Laatst gewijzigd: |
24 december 2010 16:29 |
HAARLEM - Acht leden van een bende plofkrakers hebben vrijdag in Haarlem celstraffen opgelegd gekregen tot 44 maanden. Er waren straffen van 1,5 tot 7,5 jaar geëist.
© NU.nl/Olim Bajmat
De zwaarste straf van 44 maanden is voor de 27-jarige Karim S. die volgens de rechtbank een leidende rol heeft gespeeld.
Een speciaal politieteam begon vorig jaar een onderzoek naar een reeks plofkraken in heel Nederland.
De daders gingen telkens op dezelfde manier te werk. Ze bliezen een pinautomaat op met een explosief gas en ramden daarna de muur met een gestolen auto. De plofkrakers gingen er meestal op een gestolen motor vandoor.
Schoonhoven
Er zijn sinds najaar 2008 geslaagde en mislukte plofkraken gepleegd in onder meer Drenthe en Amsterdam, maar justitie vermoedt dat de bende er veel meer heeft gepleegd.
Een arrestatieteam hield de vijf belangrijkste bendeleden in februari aan na een mislukte kraak in de Zuid-Hollandse plaats Schoonhoven. Daarbij reden twee plofkrakers met hun auto in op de politie.
Advocaat W. Hendrickx gaat cliente verder verdedigen tegen Gemeente Utrechtadd
vrijdag 17 december 2010 11:38 uur
Woonwagenbewoonster Utrecht uitgezet
UTRECHT - De vrouw die van burgemeester Wolfsen uit haar woonwagen op de Orinocodreef in Utrecht moest vertrekken, is vanochtend door de gemeente uitgezet.
De uitzetting is een gevolg van het feit dat er vier kilo softdrugs en een vuurwapen in de woonwagen zijn gevonden. De man die in het pand woonde, zit daarvoor nog vast.
De vrouw spande gisteren op het laatste moment een rechtszaak aan om de uitzetting te voorkomen. De rechter vond echter dat burgemeester Wolfsen terecht gebruikt maakte van de Opiumwet.
Hendrickx Vlielander Van der Graaf verdedigen hoofdverdachten in grote drugszaak bij de Rechtbank Groningenadd
Doorstart
5 november 2010 Door rob zijlstra
Deze week streek een heuse softdrugsbende in zittingszaal 14 neer.
Negen mannen sterk, de tiende afwezig.
De helft is volgens justitie lid van een criminele organisatie, van een georganiseerde bende die het oogmerk heeft misdaden te plegen.
De politie had onder de codenaam Uil maandenlang onderzoek gedaan.
Op grote schaal werden telefoon getapt en sommige bendeleden waren een tijd lang gevolgd, geschaduwd, door het observatieteam van de politie.
Ludwig (43) is volgens justitie het brein, de bendeleider met de touwtjes in handen.
Hij was de baas van de stekkenfabriek, verstrekte opdrachten en verdiende het meeste geld.
Vorig jaar was Ludwig gepakt met 26.000 hennepstekjes in een garageloods.
Recent besliste de rechtbank dat hij zijn verdiensten in die zaak – 184.000 euro – moet inleveren.
Ludwig beloofde een jaar geleden aan de rechters een brave burger te zullen worden.
Maar toen niemand keek, maakte hij een doorstart met ruim 12.000 verboden plantjes.
Ditmaal volgens justitie goed een criminele winst van 232.000 euro.
De leden van de Uil-bende hadden na hun arrestatie een tijdje vastgezeten, maar zijn inmiddels allemaal op vrije voeten.
Ook Ludwig.
Als grote baas had hij wel het langst gezeten: acht maanden.
Zo kon het gebeuren dat de bendeleden deze week als vrije mannen naar de rechtbank kwamen.
Toen het halverwege pauze was, ging heel de criminele organisatie gezamenlijk een broodje eten in de stad.
Tijdens de zitting werd over de georganiseerde werkwijze niet heel veel duidelijk. De helft van de bende beriep zich op het zwijgrecht.
Duidelijk werd wel dat iedereen een eigen rol had.
En dat er ook werd geëxporteerd naar Duitsland. Niet alleen dozen met stekjes, maar ook wel eens wat cocaïne, verstopt in de reserveband van de auto.
De transporten begonnen meestal op de grote parkeerplaats aan de Sontweg (Saturn, Ikea) in Groningen met Bunde of Leer als eindbestemming.
Bestellingen gingen via telefoons.
Als werd gezegd dat er één meter moest worden afgeleverd, dan werden honderd stekjes bedoeld.
Voor het vervoer werden auto’s gehuurd bij Stuur Verhuur.
Eén auto, een Mercedes Vito, werd geleased voor 700 euro per maand.
De Vito noemden ze de lijkwagen.
Het ging ook wel eens mis.
Dan zat er spint in de stekjes.
Of die keer dat de koeriers, de mannen die in ruil voor een paar honderd euro per rit het vuile werk moesten opknappen, handel moesten afleveren in Bremen.
Het afleveradres was voorgeprogrammeerd op de TomTom.
De koeriers hadden in Bremen moeten plaatsnemen op de bank, naast een Rus met een vervaarlijke ogende Duitse herder.
Ze hadden een hoop geld in ontvangst genomen, maar van schrik en uit angst voor dat beest, wel veel te weinig.
Een criminele organisatie doet wellicht anders vermoeden, maar de verdachten in deze zaak blijken geen doorgewinterde boeven met lange strafbladen.
De een is schilder zonder vast arbeidscontract, de ander is vooral bezig van de alcohol af te komen, een derde had een eigen taxibedrijf, maar is nu failliet, er zit een pizzabakker bij, de drummer van de band, een ondernemer met een reclameadviesbureau.
Een verdachte (een kweker) pakte halverwege de zitting zijn biezen.
Hij vond het niks dat hij in verband werd gebracht met een criminele organisatie.
Daar wil hij niet bijhoren.
De advocaat tegen de verbaasde rechters: ‘Tja, ik kan hem niet tegenhouden.’
Ook de ondernemer stapte na urenlang te hebben gezeten, op.
Het duurde hem te lang.
Als de officier van justitie aan de beurt is, vertelt ze over het gedogen waar strenge regels aan verbonden zijn.
En dat zij een dossier vol bewijzen heeft waaruit blijkt dat deze bende die regels heeft overtreden.
Dat een stekkenfabriek een brug te ver is, omdat het te georganiseerd is en te grootschalig.
Ze zegt dat de overheid de samenleving wil beschermen tegen de schadelijke gevolgen voor de gezondheid door softdruggebruik.
Maar ook dat de hennepteelt vaak levensgevaarlijk is wegens altijd dreigend brandgevaar.
Dat stekken- en hennepkwekers maatschappelijke schade aanrichten: ze stelen stroom. De kosten daarvan berekenen de energiebedrijven door aan ons, de klant.
Dat de hennephandel in toenemende mate gepaard gaat met fors geweld.
Ze zegt dat gevangenisstraffen van aanzienlijke duur gerechtvaardigd zijn.
Dat export het meest ernstige feit is in de Opiumwet.
Op zich, want die aanzienlijke straffen zal ze niet eisen.
Alle verdachten hebben al gezeten en zijn nu vrij.
Het openbaar ministerie acht het daarom niet heilzaam de bendeleden naar de gevangenis terug te sturen.
Ludwig hoort daarom de acht maanden eisen die hij in voorarrest zat en zestien maanden voorwaardelijk, als stimulans nu echt een brave burger te worden.
De failliete taxichauffeur mag zijn drie al gezeten maanden krijgen plus nog eens vijftien maanden voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur.
Daarna gaan de strafeisen per verdachte hard naar beneden.
De teler die er niet bij wil horen, mag boeten met een taakstraf van negentig uur.
Wel moet iedereen, vindt de officier van justitie, het verdiende geld, variërend 232.000 tot 1.490 euro en 64 eurocent, inleveren.
Vooraf had ik in de krant geschreven dat justitie Groningen met een twee dagen durend strafproces de tanden laat zien aan een criminele organisatie.
Daar kan ik nu aan toevoegen dat dat iets anders is dan bijten.
Rob Zijlstra
.
UPDATE – 16 november 2010 – uitspraken
De rechtbank heeft alle tien Uil-verdachten veroordeeld. De straffen vielen voor de meeste beklaagden wel lager uit dan twee weken geleden aan de rechtbank was voorgesteld. De hoofdverdachte kreeg een jaar celstraf, de mede-hoofdverdachte 411 dagen waarvan 180 voorwaardelijk. Vier (in plaats van vijf) mannen zijn ook veroordeeld omdat ze lid zijn (geweest) van een organisatie die als oogmerk had het plegen van misdrijven. De laagste straf was voor de teler die er niet bij wilde horen: hij kreeg een taakstraf van 90 uur, waarvan 40 voorwaardelijk. De straffen vielen ook lager uit omdat de rechtbank niet bewezen acht dat de Uil-mannen zich schuldig hebben gemaakt aan de uitvoer van cocaïne naar Duitsland.
Advocaat Dennis Vlielander van Ludwig kondigde direct na de uitspraken aan in hoger beroep te zullen gaan. Volgens hem zijn er tijdens het onderzoek fouten gemaakt door de politie waardoor (een deel van) het bewijs onrechtmatig zou zijn verkregen. De rechtbank stelt dat niet alles volgens het boekje is gegaan, maar verbindt daar geen consequenties aan omdat de verdachten niet in hun belangen zijn geschaad.
Wouter Hendrickx verdedigt 'terrorist' uit Jemenadd
Dutch Prosecutors Say Yemeni Airline Suspects Freed Without Charge
Published September 01, 2010 | Associated Press

AP
Aug. 30: A man is led away from a plane at Schipol Airport in Amsterdam after suspicious items turned up in his luggage.
THE HAGUE, Netherlands -- Two Yemeni men arrested on arrival from the United States on suspicion they may have been conducting a dry run for an airline terror attack were released without charge Wednesday after investigations turned up no evidence to link them to a terror plot, Dutch prosecutors said.
The national prosecutor's office said in a statement on its website that because of the lack of evidence "there is no reason to hold the men any longer."
Ahmed Mohamed Nasser al-Soofi and Hezam al-Murisi were arrested by airport police Monday in Amsterdam on a United Airlines flight from Chicago following a request from U.S. law enforcement officials.
The whereabouts of the two men following their release was not immediately known. Their lawyers could not immediately be reached for comment.
Prosecutors said an initial test by U.S. authorities on an item of luggage belonging to one of the men "showed the possible presence of a trace of explosives." However "more accurate" later tests did not reveal any signs of explosive material, the they said.
"Investigations in the U.S. and the Netherlands have shown that there is no longer any indication of any possible involvement of the men in any crime," the prosecution statement said.
The arrests came just days before the ninth anniversary of the Sept. 11, 2001, terror attacks in the United States. U.S. officials have also been concerned about Americans traveling to Yemen to join Al Qaeda.
Al-Soofi's Dutch lawyer Wouter Hendrickx told The Associated Press before news of the release broke that al-Soofi insists he is innocent.
"He says 'I have no connections to terrorist activities whatsoever,"' Hendrickx said.
Hendrickx said al-Soofi was on his way to Yemen to visit his family when he was detained.
In a statement, the Yemeni Embassy said some media coverage of the arrests highlighted "an unfortunate, yet ongoing misunderstanding of Yemen and its citizens."
"It is important to emphasize that Yemen is a victim of terrorism as well, with Al Qaeda operatives having killed over fifty Yemenis in the past three months," spokesman Mohammed Albasha said.
Al-Soofi and al-Murisi missed flights to Washington Dulles International Airport from Chicago, and United Airlines then booked them on the same flight to Amsterdam, a U.S. government official said. The men were sitting near each other on the flight, but not together.
Al-Soofi also raised suspicions in the United States on Sunday because he was carrying $7,000 in cash. An inspection of his checked luggage uncovered a cell phone taped to a small bottle, multiple cell phones and watches taped together, and a knife and box cutter, according to a U.S. official who had been briefed on the investigation.
None of the checked items violated U.S. security rules, so authorities allowed al-Soofi to fly. But his bags later were transferred to another flight and were not on the flight to Amsterdam, Dutch prosecutors said.
Al-Soofi and al-Murisi changed their travel plans at the last minute and took a direct flight to Amsterdam, raising suspicion among U.S. officials.
The U.S. Homeland Security Department confirmed that the FBI and other law enforcement agencies found no links to terrorism, but said "we will continue to pursue any and all leads in this matter."
"This incident illustrates how airport security protocols, law enforcement cooperation, and prompt international information sharing allows us to respond quickly to potential threats," it said in a statement.
Read more: http://www.foxnews.com/world/2010/09/01/dutch-prosecutors-say-yemeni-airline-suspects-likely-freed/#ixzz19Ry1uQNI
Verdediging Hendrickx Vlielander van der Graaf leidt tot vrijspraak criminele organisatieadd
LJN: BN2250, Rechtbank Utrecht , 16/600261-10 Print uitspraak
Datum uitspraak: 01-07-2010
Datum publicatie: 23-07-2010
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Verdachte heeft samen met zijn stiefzoon en de vriend van zijn stiefzoon een grote hoeveelheid sofrdrugs in zijn woning aanwezig gehad. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan witwassen en het voorhanden hebben van valse loonafrekeningen. Vrijspraak voor deelnemen aan criminele organisatie.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
parketnummer: 16/600261-10 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juli 2010
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [1948] te [geboorteplaats]
thans gedetineerd in Huis van Bewaring Grave (Unit A+B) te Grave
raadsman W. Hendrickx, advocaat te Utrecht
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] onder parketnummer 16/600260-10 en [medeverdachte 2] onder parketnummer 16/600259-10.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1: samen met de medeverdachten een grote hoeveelheid henneptoppen en
halfproduct van hennep in een woning opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt of in ieder geval voorhanden heeft gehad (in de uitoefening van beroep/bedrijf);
feit 2: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;
feit 3: heeft witgewassen;
feit 4: valsheid in geschrift heeft gepleegd.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Ten aanzien van feit 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ongeveer 92,34 kilogram henneptoppen en
77,20 kilogram halfproduct van hennep in de door hem gehuurde woning voorhanden heeft gehad en heeft zich daarbij gebaseerd op de feiten en omstandigheden, zoals neergelegd in de door haar overgelegde schriftelijke aantekeningen. Volgens de officier van justitie is met toestemming van verdachte zijn woning binnengetreden, zodat van onrechtmatig binnentreden geen sprake is.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.
Er is op basis van een M-melding en een warmtemeting besloten tot binnentreden in de woning van verdachte. Uit de getuigenverklaring van fraudespecialist [A] volgt dat de warmtemeting foutief is geweest. De machtiging tot binnentreden zou enkel op de
M-melding niet zijn afgegeven, zodat de machtiging onrechtmatig is afgegeven. Er is dan ook onrechtmatig binnengetreden. De “toestemming” van verdachte maakt dit volgens de raadsman niet anders, nu hij door zes verbalisanten die wapperden met de machtiging, is overvallen. De resultaten van de doorzoeking, de vondst van de hennep en de overige aangetroffen goederen, zijn onrechtmatig verkregen. Primair heeft hij verzocht de resultaten van de doorzoeking van het bewijs uit te sluiten, hetgeen met zich meebrengt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft hij verzocht om strafvermindering.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Op 10 maart 2010 werd naar aanleiding van een onderzoek naar een eventuele hennepkwekerij in de woning aan de [adres] te [woonplaats] bij deze woning door verbalisant [verbalisant 1] aangebeld. De voordeur werd geopend. Er stond een man in zijn badjas, die naar buiten stapte. Verbalisant [verbalisant 1] heeft zich voorgesteld en het doel van zijn bezoek aan de man uitgelegd. Hij vertelde de man dat hij in de woning wilde kijken of er een hennepkwekerij was, waarop de man zei: “Kom binnen” . Verbalisant [verbalisant 1] kwam de woning binnen in de hal. De man die de deur open had gedaan, bleek te zijn genaamd: [verdachte]. Vervolgens is verbalisant [verbalisant 1] vanuit de gang rechts een kamer ingelopen, waar zich links achterin een keuken bevond. Hij zag hier een manspersoon staan, die hij niet eerder had gezien. Bij navraag bleek deze man te zijn genaamd: [medeverdachte 2]. Er kwam een vraag van collega [verbalisant 2], of er een sleutel van een kamer van boven aanwezig was, omdat deze kamer op slot was. Er verscheen opeens een derde manspersoon. Deze manspersoon, genaamd [medeverdachte 1], liep richting de ladekast en haalde uit een dvd-hoesje de sleutel, die collega [verbalisant 2] nodig had. Verbalisant [verbalisant 1] keerde terug naar de ruimte waar de laatste man vandaan kwam. Hij kwam in een ruimte waarin een viertal zware dossierkasten stonden. Hij zag dat drie kasten openstonden en dat hierin plastic zakken stonden. Een aantal zakken stond open. Hij zag dat hierin hennep zat. Hij is teruggelopen naar de woonkamer en heeft de mannen medegedeeld dat zij aangehouden waren. De [verdachte] zei hierop: “Een hennepkwekerij? Ik heb geen hennepkwekerij, ik ben maar een simpele inpakjongen”.
Verbalisant [verbalisant 4] was belast met de verdere doorzoeking in de kamer waarin de grote archiefkasten stonden. In de kast stonden zilveren en zwarte zakken met henneptoppen. Achter de laatste archiefkast stond een wasmachine. Er was geen normale doorgang naar de wasmachine. Hij heeft de zakken weggezet, waardoor een kleine doorgang ontstond. Bovenop de wasmachine lag een zwart buideltasje. In het tasje zat onder meer een rijbewijs op naam van [medeverdachte 1] en een sleutel, die op de voordeur bleek te passen.
Verbalisant [verbalisant 2] doorzocht de bovenverdieping. Er was een gesloten deur, waaruit een zacht brommend geluid kwam. Hij rook een penetrante en een zeer herkenbare geur van hennep. Door de ruitjes zag hij dat de kamer geheel donker was. Hij kreeg een sleutel van collega [verbalisant 1], waarmee hij de kamer heeft opengemaakt. Tegen de muur hingen twee koolstoffilters. Op een plank lagen enkele doorzichtige plastic seal-bags. Hij herkende de inhoud van deze sealbags als delen van een hennepplant, te weten de toppen van een hennepplant. In deze kamer (“vacuümkamer”) stond een tafel met opstaande randen, die in een soort schenktuit naar beneden liepen. Verder stonden er twee vacumeermachines. Op de vloer stonden enkele zakken met onder andere verpakkingsmateriaal ten behoeve van de hennep.
De inbeslaggenomen bloemtoppen en plantdelen zijn door verbalisant [verbalisant 3] nader onderzocht. De drugsidentificatietest gaf een positieve indicatie op de aanwezigheid van hennep. Het gewicht van de pure henneptoppen bedroeg 92,34 kilo. Het gewicht van de inhoud van vier zakken met een zogenaamd ‘halfproduct’ bedroeg 77,20 kilo. De inhoud bestond uit kleine bladdeeltjes, fijne stengeldelen en kleine stukjes bloemtoppen.
In de badkamer op de begane grond, waar de vier metalen kasten stonden, de kastenkamer, stonden zakken met verpakkingsmateriaal waarin hennep verpakt was geweest. Op één van deze zakken is een vingerafdruk van [medeverdachte 2] aangetroffen. In de slaapkamer aan de linkervoorzijde, de vacuümkamer, stonden enkele zakken met verpakkingsmateriaal, waarin ook hennep verpakt was geweest. Op deze zakken zijn vier vingerafdrukken van [medeverdachte 2] gevonden en eveneens een vingerafdruk van [medeverdachte 1].
In de auto van [medeverdachte 2] zijn handschoenen en fijnstoffilters aangetroffen. De handschoenen hadden de geur van hennep. De handschoenen zijn soortgelijk als die in de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] zijn aangetroffen. De fijnstoffilters kunnen gebruikt worden bij het soort mondmasker dat in de vacuümkamer is gevonden. [medeverdachte 2] heeft een setje sleutels van de woning van De [verdachte]. De mobiele telefoon die in gebruik was bij [medeverdachte 2] heeft in de periode van 11 februari 2010 tot en met 9 maart 2010 38 keer de zendmast, die geplaatst is op de Oostkanaaldijk te Loenen aan de Vecht aangestraald. Deze zendmast staat hemelsbreed op een afstand van ongeveer 650 meter van de woning van verdachte.
Verdachte heeft verklaard dat hij op het huis paste, waarin hij is aangehouden. Hij kreeg daar een bedrag voor. De in zijn woning bevindende producten werden afgeleverd door middel van verschillende busjes. Zijn stiefzoon [medeverdachte 1], en [medeverdachte 2], die ook is opgepakt, wisten wat hij deed. Zij hebben dozen met hennep uit de bus binnen in zijn woning neergezet. In de dozen zat hennep. Andere mensen pakten de spullen in. De hennep werd opgeslagen in grote kasten met een slot. Het systeem van werken was dat de dozen rond 07.00-07.15 uur bij verdachte voor de deur werden gezet. [medeverdachte 1] wist dat er in de woning van zijn stiefvader hennep lag. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij wel eens dozen of zakken naar boven heeft gesjouwd en dat hij wist dat er hennep lag in de woning.
Bewijsoverwegingen
Binnentreden van de woning
Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] volgt dat voorafgaand aan het binnentreden van de woning door [verbalisant 1] aan de bewoner De [verdachte] toestemming is gevraagd om in de woning te kijken. In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] staat vermeld dat de bewoner, nadat door collega [verbalisant 1] het vermoeden was medegedeeld dat er in de woning een hennepplantage bevond, zei: ‘Kom maar binnen’ en dat de bewoner tijdens het zeggen van deze woorden met zijn arm een zwaaigebaar maakte en weer zijn woning binnenliep.
Uit het voormelde proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte expliciet toestemming heeft verleend voor het binnentreden en doorzoeken van zijn woning. Door verdachte is zowel tegenover de rechter-commissaris als ter zitting herhaald dat met zijn toestemming is binnengetreden. Dat er geen sprake zou zijn van daadwerkelijke toestemming is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. De aanwezigheid van zes verbalisanten levert geen situatie op waarvan gezegd kan worden verdachte in redelijkheid geen andere mogelijkheid had dan de verbalisanten binnen te laten. De reactie van verdachte, zoals hiervoor omschreven, duidt ook geenszins op het bestaan van zo’n situatie. De woning van verdachte kon derhalve zonder schriftelijke machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden worden binnengetreden. Gelet hierop is niet van belang of de machtiging tot binnentreden rechtmatig is afgegeven en behoeft dit, anders dan de raadsman heeft bepleit, geen bespreking.
Nu de woning van verdachte rechtmatig is binnengetreden en doorzocht, is er geen aanleiding om over te gaan tot bewijsuitsluiting danwel andere consequenties als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer wordt verworpen.
Medeplegen
De rechtbank acht niet aannemelijk dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de woning van verdachte enkel geholpen hebben met het sjouwen van dozen en dat zij niet wisten dat er hennep in de dozen zat. Verdachte heeft verklaard dat zijn stiefzoon, verdachte, en [medeverdachte 2] wisten wat hij deed.
Op 10 maart 2010 waren verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ten tijde van het binnentreden samen in de woning aanwezig. Zij waren echter niet aan het koffiedrinken, zoals zij het doel van hun bezoek omschreven. [medeverdachte 1] kwam uit de kastenkamer vandaan, alwaar hennep is aangetroffen. Hij kon de sleutel van de afgesloten vacuümkamer aanleveren. In de kastenkamer alwaar hennep op dat moment openlijk zichtbaar lag, zijn op een verhullende plek persoonlijke spullen van hem aangetroffen. In deze kamer is ook een vingerafdruk van [medeverdachte 2] aangetroffen. In de vacuümkamer, alwaar henneptoppen en ‘halfproduct’ hennep zijn aangetroffen, zijn vingerafdrukken van zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] aangetroffen. Gelet op het feit dat in de auto van [medeverdachte 2] naar hennep ruikende handschoenen zijn aangetroffen, die soortgelijk zijn aan die in de woning van verdachte zijn aangetroffen alsmede filters passend bij het mondmasker op de vacuümkamer, en het feit dat de mobiele telefoon die in gebruik was bij [medeverdachte 2] in de periode van 11 februari 2010 tot en met 9 maart 2010 38 keer de zendmast, die op een afstand van ongeveer 650 meter van de woning van verdachte, heeft aangestraald, acht de rechtbank niet aannemelijk dat [medeverdachte 2] enkel op bezoek kwam bij de stiefvader van zijn vriend, verdachte, en aldaar slechts ‘vriendendiensten’ deed, temeer nu hij een setje sleutels van de woning had.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hierboven weergegeven gang van zaken dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij het aanwezig hebben van de hoeveelheid henneptoppen en ‘halfproduct’ in de woning van verdachte een zodanige rol hebben gespeeld dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en volledige samenwerking bij de totstandkoming van het strafbare feit. Hierbij zijn eveneens de gedragingen buiten de tenlastegelegde datum in aanmerking genomen.
Gelet op hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden -in onderling verband en samenhang bezien- is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] doelbewust 92,34 kilogram henneptoppen en 77,20 kilogram ‘halfproduct’ in zijn woning voorhanden had.
Ten aanzien van feit 2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Zij heeft hiervoor gewezen op de feiten en omstandigheden van feit 1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, nu er niets bekend is over de criminele organisatie.
Het oordeel van de rechtbank
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de in het dossier bevindende feitelijke gegevens onvoldoende basis vormen om te kunnen spreken van een bewijsbaar gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen verdachte, medeverdachten en andere personen, zoals bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Er bevinden zich in het dossier slechts aanwijzingen op grond waarvan gezegd zou kunnen worden dat het niet anders kan zijn dat er een criminele organisatie achter het aanleveren van de hennep bij de woning van verdachte schuilgaat. Dit is echter onvoldoende voor het aannemen van een criminele organisatie. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 2 tenlastegelegde feit.
Ten aanzien van feit 3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Hij heeft over een periode van twee jaren de beschikking gehad over bijna € 70.000,= aan contant geld, terwijl hiervoor geen aannemelijke legale herkomst van dat geld aanwezig is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De contante stortingen zijn verklaarbaar uit de ambulante handel van verdachte.
De boekhouder is nu bezig met de aangifte inkomstenbelasting en aangifte omzetbelasting over de jaren 2008 en 2009 Deze aangiftes volgen dus nog. Op de leefstijl en bezittingen van verdachte is ook niets aan te merken. De transacties vinden plaats via een normale bankrekening. Er is volgens de raadsman dan ook geen sprake van witwassen.
Ter terechtzitting heeft verdachte opgemerkt dat een deel van de contante bedragen spaargeld betrof die door hem onder meer gedeeltelijk zouden zijn aangewend voor het betalen van de huur van het pand in [vestigingsplaats].
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Op 10 maart 2010 werd verdachte aangehouden in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Tijdens de doorzoeking op die dag zijn goederen inbeslaggenomen.
Er zijn twee facturen inzake de huur van een pand aan de [adres] in [vestigingsplaats] inbeslaggenomen. De factuur is afkomstig van [B] en gericht aan de heer [verdachte]. Uit de facturen blijkt dat op 16 mei 2008 een bedrag van € 2.090,13 en een bedrag van € 8.329,99 contant is ontvangen, totaal € 10.420,12. Uit een inbeslaggenomen kwitantie blijkt dat op 17 oktober 2009 een bedrag van € 3.900,= wordt betaald door [verdachte] en is ontvangen door [C]. De betaling betreft de huur van de [adres] te [woonplaats].
Om de financiële positie van verdachte te bepalen zijn van de bankrekeningen van verdachte gegevens opgevraagd. Uit de ontvangen mutaties blijkt van de bankrekening Fortis met bankrekeningnummer [rekeningnummer] dat in 2008 in totaal € 7.550,=, in 2009 in totaal
€ 9.950,= en in 2010 in totaal € 6.800,= contant is gestort. Op de bankrekening van Fortis met bankrekeningnummer [rekeningnummer] is in 2008 in totaal € 3000,= en in 2009 totaal
€ 28.200,= contant gestort.
Totaaloverzicht contante transacties:
2008 2009 2010 TOTAAL
Factuur € 10.420,12 € 10.420,12
Kwitantie € 3.900,00 € 3.900,00
84.15.05.950 € 7.550,00 € 9.9950,00 € 6.800,00 € 24.300,00
89.47.53.967 € 3.000,00 € 28.200,00 € 31.200,00
TOTAAL € 20.970,12 € 42.050,00 € 6.800,00 € 69.820,12
Verdachte heeft in de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 maart 2010 de beschikking gehad over een contant bedrag van tenminste € 68.920,12.
Uit de gegevens van de belastingdienst volgt dat er met betrekking tot verdachte over de jaren 2008 en 2009 geen biljet inkomstenbelasting aanwezig is. Vanaf 2008 staat een bedrijf van verdachte geregistreerd in de branch ‘goederen alg. assortiment’. De rechtbank begrijpt dat dit de ambulante handel betreft waarover verdachte heeft verklaard. In 2008 is van dit bedrijf een omzet exclusief omzetbelasting van € 3.778,= bekend. In 2009 en 2010 is bij de belastingdienst geen omzet bekend. Het UWV heeft laten weten dat verdachte geen uitkering ontvangt.
Verdachte heeft verklaard dat hij op de woning aan de [adres] te [woonplaats] paste, alwaar hennep is aangetroffen. De woning werd sinds augustus 2009 verhuurd aan verdachte. De huur bedroeg € 1.950,= per maand. De huur werd door verdachte contant met bankbiljetten van 500 euro betaald. Volgens verdachte kreeg hij de voor de huur contante coupures van € 500,= toegezonden. Daarnaast kreeg hij voor het aanwezig hebben van hennep in zijn woning € 1300,= per maand.
Bewijsoverweging
Verdachte heeft vanaf januari 2008 tot en met 10 maart 2010 de beschikking gehad over een contant geldbedrag van tenminste € 68.920,12. Er is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de grote hoeveelheid geld uit legale bronnen is verworven. Van de periode vanaf augustus 2009 ontving verdachte geld afkomstig van misdrijf, te weten geld voor het voorhanden hebben van hennep in zijn woning. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte de grote hoeveelheid contante geldbedragen heeft verdiend met ambulante handel, nu bij de belastingdienst in 2008 slechts een omzet van
€ 3.778,= bekend was. Ook acht de rechtbank niet aannemelijk dat een deel van de contante geldbedragen spaargeld van de verdachte zou betreffen. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat het door de recessie met zijn bedrijf minder ging. Dat de boekhouder bezig zou zijn met de aangifte inkomstenbelasting en aangifte omzetbelasting over de jaren 2008 en 2009, hetgeen overigens niet met stukken is onderbouwd, maakt dit niet anders. Bij afwezigheid van een aannemelijke verklaring voor de aanwezigheid van de contante gelden, komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan witwassen.
Ten aanzien van feit 4
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 betoogd dat de machtiging tot binnentreden onrechtmatig is geweest, waardoor onrechtmatig de woning van verdachte is binnengetreden. Dit brengt met zich mee dat de aangetroffen salarisstroken als resultaat van de onrechtmatige doorzoeking dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de salarisstroken, gelet op de ouderdom, geen enkel doel kunnen dienen. Het bezit van deze oude salarisstroken moet dan ook niet strafbaar worden geacht.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Op 10 maart 2010 werd verdachte aangehouden in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats]. Tijdens de doorzoeking op die dag in die woning zijn goederen inbeslaggenomen. Er zijn loonafrekeningen aangetroffen van de maanden december 2007 tot en met februari 2008, te weten een loonafrekening over de periode van 1 december 2007 tot en met 21 december 2007, een loonafrekening over de periode van 1 januari 2008 tot en met 23 januari 2008 en een loonafrekening over de periode van 1 februari 2008 tot en met 22 februari 2008. De loonafrekeningen zijn van het bedrijf [bedrijf] te [vestigingsplaats] en gericht aan [verdachte]. Bij het bedrijf [bedrijf] (voorheen [bedrijf]) heeft niemand gewerkt met de naam [verdachte]. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de de loonafrekeningen in zijn bezit had en dat hij niet bij het bedrijf [bedrijf] te [vestigingsplaats] heeft gewerkt.
Bewijsoverweging
De rechtbank heeft onder feit 1 reeds overwogen dat de woning van verdachte rechtmatig is binnengetreden, zodat er geen aanleiding is om over te gaan tot bewijsuitsluiting.
Nu verdachte niet heeft gewerkt bij het bedrijf [bedrijf], komt de rechtbank tot de conclusie dat de in de woning van verdachte aangetroffen loonafrekeningen vals waren. De raadsman heeft bepleit dat de loonafrekeningen op geen enkele wijze meer bestemd konden worden voor gebruik als ware zij echt en onvervalst vanwege hun ouderdom. Het is echter niet relevant of de betreffende stukken thans nog kunnen worden gebruikt als ware zij echt en onvervalst. Slechts van belang is of het een geschrift betreft waaraan in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend. Hiervan is onmiskenbaar sprake. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
hij op 10 maart 2010 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de
[adres] aldaar een grote hoeveelheid van (in totaal) ongeveer
92,34 kilogram henneptoppen en 77,20 kilogram "halfprodukt" hennep
(zijnde kleine bladdeeltjes en fijne stengeldelen en bloemtoppen,
telkens hennepprodukt), zijnde hennep een
middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
3.
hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 maart 2010, te
[woonplaats], telkens van voorwerpen, te weten contante geldbedragen (in totaal ongeveer
69.820,- euro), de werkelijke aard en de herkomst, heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen, - onmiddellijk of
middellijk - afkomstig waren uit het misdrijf;
4.
hij op 10 maart 2010 te [woonplaats], opzettelijk voorhanden heeft gehad valse loonafrekeningen op naam van [verdachte], afkomstig van [bedrijf]
beveiliging over de periodes
- 1 december 2007 tot en met 21 december 2007 en
- 1 januari 2008 tot en met 21 januari 2008 en
- 1 februari 2008 tot en met 22 februari 2008,
zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig
feit te dienen, terwijl hij wist dat die geschriften
waren voor gebruik als ware zij echt en onvervalst, immers,
heeft hij, verdachte, geen werkzaamheden verricht voor [bedrijf].
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
5.1 De strafbaarheid van de feiten
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:
Feit 1: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 3: Witwassen;
Feit 4: Opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.
5.2 De strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, feiten 1 tot en met 4, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
6.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf rekening dient te worden gehouden met de persoon van verdachte. Verdachte heeft openheid van zaken gegeven en neemt verantwoordelijkheid voor de feiten. Het recidiverisico wordt laag ingeschat. Gelet op deze omstandigheden is een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, die korter is dan de officier van justitie heeft gevorderd, en daarnaast een forse werkstraf op zijn plaats.
6.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.
Verdachte heeft zich samen met zijn stiefzoon en de vriend van zijn stiefzoon schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid softdrugs in zijn woning.
Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van verdachte wordt dit restrictieve beleid doorkruist. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijke som geld die hij onder meer verwierf met het voorhanden hebben van de softdrugs in zijn woning. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Ten slotte zijn tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte valse loonafrekeningen aangetroffen. Bij gebruik van dergelijke valse loonafrekeningen wordt het maatschappelijk vertrouwen in de echtheid van deze documenten geschaad.
Anders dan de officier van justitie heeft de rechtbank niet bewezen geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelnemen aan een criminele organisatie. Hiermee is rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van de straf. Daarnaast is het volgende van belang. Verdachte kreeg een aanbod om enige tijd op een huis te passen. Het huis werd gebruikt als opslag- en overslagplaats voor softdrugs. Hiervoor kreeg verdachte geld. Verdachte heeft bewust gehandeld. Hij was net zijn bedrijf kwijt en had inkomsten nodig. Verdachte heeft aldus uitsluitend gehandeld om er zelf financieel beter van te worden, hetgeen de rechtbank hem zwaar aanrekent. Mede gelet op de grotere rol van verdachte ten opzichte van zijn stiefzoon en de vriend van zijn stiefzoon bij het voorhanden hebben van de softdrugs ziet de rechtbank aanleiding om verdachte een hogere straf dan zijn medeverdachten op te leggen. Ten voordele van verdachte is rekening gehouden met het feit dat hij verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt. De reclassering schat het recidiverisico laag in. Begeleiding of toezicht van de reclassering is niet geïndiceerd.
Mede in aanmerking genomen de strafoplegging in soortgelijke gevallen van voorhanden hebben van een dergelijke grote hoeveelheid softdrugs, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden is.
7 Voorlopige hechtenis
De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. De rechtbank oordeelt dat de ernstige bezwaren en de gronden die tot de voorlopige hechtenis van verdachte hebben geleid en deze tot op heden hebben doen voortduren, nog onverkort aanwezig zijn. In de onderhavige zaak doet zich niet het geval voor als bedoeld in artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, zodat het verzoek wordt afgewezen.
8 Het beslag
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.
9 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11, 13, 13a en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
10 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Feit 1: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 3: witwassen;
Feit 4: opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
een zwarte mobiel, merk Nokia.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en
mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.H.M. van Ek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 juli 2010.
Schadevergoedig na vrijspraakadd
Vrijspraak na eerdere veroordelingadd
Samenvatting
--------------------------------------------------------------------------------
Verdachte wordt veroordeeld tot 100 dagen gevangenisstraf ter zake van inbraak in een auto te Groenekan
Volledige samenvatting van dit document bekijken
Extract
--------------------------------------------------------------------------------
Eerste aanleg - meervoudig van Rechtbank Utrecht, 9 april 2008
RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
Parketnummer(s): 16/601430-07
Datum uitspraak: 9 april 2008
Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] (Marokko),
wonende te [woonadres], [woonplaats].
Raadsman: mr. W. Hendrickx.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittin...
Volledige samenvatting van dit document bekijken
--------------------------------------------------------------------------------
Gesponsorde links
--------------------------------------------------------------------------------
Gerelateerde zoekopdrachten
--------------------------------------------------------------------------------
aankoopkeuring auto
bouwplaat auto
controle technique auto
controle technique
weather in london
Read more: http://nl.vlex.com/vid/-39606764#ixzz1BTR7tdQY
Vrijspraak Mensenhandel... Hoge Raad acht middel onderdeel blanco paspoortboekjes ongegrondadd
Jurisprudentie
BI9274Datum uitspraak2009-06-23
Datum gepubliceerd2009-06-23
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers07/12655
Statusgepubliceerd
IndicatieBlanco paspoorten reisdocumenten a.b.i. art. 231 Sr? Verdachte had Spaanse en Belgische blanco paspoorten in zijn bezit die niet gepersonaliseerd waren, d.w.z. feitelijk (nog) niet als zodanig gebruikt konden worden aangezien zij onder meer slechts waren voorzien van imitatie watermerken en waarbij echtheidskenmerken ontbraken. HR: Noch de tekst van de wet, noch de in de conslusie van de AG weergegeven wetsgeschiedenis, biedt steun aan de opvatting dat een blanco paspoort geen ‘reisdocument’ kan zijn i.d.z.v. art. 231 Sr.
Conclusie anoniemNr. 07/12655
Mr. Vegter
Zitting: 21 april 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan zij weet dat het vals is, meermalen gepleegd" veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
2. Namens de verdachte heeft mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof een verweer inhoudende dat een twintigtal Belgische en Spaanse paspoorten geen reisdocumenten als bedoeld in art. 231 Sr vormden ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, heeft verworpen.
4. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"zij op 24 mei 2006 te Amsterdam in het bezit was van Italiaanse paspoorten waarvan zij wist dat die reisdocumenten vals waren, bestaande die valsheid hierin dat die reisdocumenten waren voorzien, van imitatie watermerken en vals laminaat en waren, bewerkt, met een imitatieprinttechniek, en
*in het bezit was van reisdocumenten, te weten tien Belgische paspoorten en 10 Spaanse paspoorten, waarvan zij wist dat die reisdocumenten vals waren
bestaande die valsheid hierin dat
* bij de Belgische paspoorten de gedrukte serienummers en overige echtheidskenmerken ontbraken en de paspoorten waren voorzien van imitatie watermerken, en
* bij de Spaanse paspoorten echtheidskenmerken ontbraken en de paspoorten waren voorzien van imitatie watermerken"
5. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof primair het standpunt ingenomen dat de in de woning van verdachte aangetroffen Franse, Spaanse en Belgische blanco paspoorten niet kunnen worden aangemerkt als reisdocumenten in de zin van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, nu zij - doordat zij niet zijn gepersonaliseerd - feitelijk (nog) niet als zodanig gebruikt kunnen worden. De documenten kunnen slechts als grondstoffen voor een reisdocument aangemerkt worden. Verdachte moet derhalve ten aanzien van deze documenten worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht - die mede te vinden is in de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet - valt af te leiden dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om alles in het werk te stellen teneinde frauduleuze handelingen met zowel Nederlandse als buitenlandse reisdocumenten tegen te gaan (Kamerstukken II 1987/88 20 652, nr. 3, p. 1-2). Daartoe is onder meer bij de wet van 24 mei 1989, in werking getreden op 1 augustus 1989, de strafbaarstelling ten aanzien van fraude met reisdocumenten in artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht uitgebreid. Bovendien is bij wet van 21 april 2004, in werking getreden op 16 juni 2004, naar aanleiding van het Europees kaderbesluit betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten, het strafmaximum in beide leden van dat artikel verhoogd. Duidelijk is dat het de wetgever ernst is met de bestrijding van valse/vervalste reisdocumenten.
De vraag die in de onderhavige zaak aan de orde is, is of het begrip 'reisdocument' in artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht zo (beperkt) moet worden uitgelegd, dat daaronder slechts die documenten vallen die zijn gepersonaliseerd. Het hof is van oordeel dat voor deze beperkte uitleg geen aanknopingspunt is te vinden in de wetsgeschiedenis, noch van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, noch van de Paspoortwet. In de Memorie van Toelichting naar aanleiding van de meest recente wijziging van de Paspoortwet zijn aanwijzingen voor het tegendeel te vinden. In die Memorie is opgenomen dat is besloten 'de informatievoorziening rond reisdocumenten in de gehele paspoortketen (van productie als blanco document tot en met de definitieve onttrekking aan het verkeer) aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. In de verschillende fasen van de levensloop van een reisdocument zijn immers uiteenlopende informatiebehoeften van de daarbij betrokken actoren te onderkennen en zijn er ook verschillende mogelijkheden voor fraude en misbruik aanwezig, waarvan de bestrijding telkens een andere aanpak vereist.' Voorts wordt gepleit voor een registratie 'waarin documentgegevens worden opgenomen betreffende gestolen of vermiste blanco reisdocumenten en documentgegevens en de daarbij behorende persoonsgegevens van de houder, betreffende gestolen of vermiste gepersonaliseerde reisdocumenten, (...).' (Kamerstukken II 1999/2000 26 977, nr. 3, p. 4.) Het begrip 'blanco reisdocument' wordt dus naast het begrip 'gepersonaliseerd reisdocument' gebruikt en de productie van het blanco document wordt aangemerkt als de eerste fase in de levensloop van een reisdocument.
Nu noch de wetstekst, noch de wetsgeschiedenis, noch doel en strekking van de hiervoor genoemde wetgeving steun biedt aan het standpunt van de raadsman, verwerpt het hof het verweer."
6. Voor zover in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan op feiten en omstandigheden die bij het Hof niet zijn aangevoerd en waaromtrent het Hof niets heeft vastgesteld, zoals op hetgeen zou blijken uit "foto's in het dossier" of uit "een proces-verbaal met nummer 200506-AH-10, van 29 mei 2006", zal daaraan in cassatie voorbijgegaan moeten worden.(1)
7. Dat neemt niet weg dat, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het Hof heeft aangenomen dat de Belgische en Spaanse paspoorten niet waren gepersonaliseerd,(2) waarmee kennelijk werd bedoeld dat daarin geen persoonsgegevens waren vermeld en geen pasfoto was opgenomen. Het Hof heeft geoordeeld dat de documenten niettemin (valse) reisdocumenten als bedoeld in art. 231 Sr vormden.
8. Art. 231 Sr luidt en luidde ten tijde van de bewezenverklaarde feiten als volgt:
"1. Hij die een reisdocument valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig stuk op grond van valse gegevens doet verstrekken dan wel een aan hem of een ander verstrekt reisdocument ter beschikking stelt van een derde, met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die in het bezit is van een reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument."
9. Art. 231 Sr heeft betrekking op de in de Paspoortwet genoemde reisdocumenten. Daarnaast vallen ook buitenlandse reisdocumenten onder het bereik van art. 231 Sr.(3) Uiteraard zijn valse reisdocumenten niet werkelijk in de Paspoortwet genoemde reisdocumenten. Zij zijn immers vals. Onder valse reisdocumenten als bedoeld in art. 231 Sr zullen daarom moeten worden verstaan: op de in de Paspoortwet genoemde reisdocumenten gelijkende documenten. Daarbij moet overigens bedacht worden dat ook slechte vervalsingen vervalsingen zijn. Een verregaande mate van gelijkenis behoeft daarom mijns inziens niet te worden verlangd.
10. Het antwoord op de vraag of het oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting is voor zover ik overzie in de jurisprudentie van de Hoge Raad nog niet gegeven. In HR 12 april 2005, LJN AS5866 is geoordeeld dat de omstandigheid dat de geldigheidsduur van een vals of vervalst reisdocument is verstreken, niet meebrengt dat een dergelijk document niet (meer) als een in art. 231 Sr bedoeld reisdocument kan gelden. Een andere opvatting zou volgens de Hoge Raad tekort doen aan doel en strekking van art. 231 Sr. Wat dat doel en die strekking zijn, houdt het arrest niet in. Uit de totstandkomingsgeschiedenis bij (de laatste wijziging van) art. 231 Sr(4) kan daaromtrent wel het een en ander worden afgeleid. Ik wijs op de volgende passages:
"In de laatste decennia is het internationaal verkeer van personen op explosieve wijze toegenomen. Al deze personen dienen in het bezit te zijn van een paspoort of ander reisdocument. Een dergelijk document is bestemd om het reizen naar andere landen te vergemakkelijken. Dit betekent dat het verlaten van een land, de toelating tot andere landen, het verblijf aldaar en de terugkeer naar het land dat het document heeft afgegeven er door mogelijk wordt. Bovendien wordt in veel landen een paspoort of ander reisdocument als legitimatiebewijs voor bij voorbeeld geldhandelingen verlangd. Een paspoort is dan ook een zeer begeerd document. Wie het niet op legale wijze kan verkrijgen probeert het vaak op illegale wijze te bemachtigen. Er worden dan ook op grote schaal frauduleuze handelingen met betrekking tot paspoorten gepleegd. Ook ten aanzien van Nederlandse reisdocumenten. Vreemdelingen komen op een vals of vervalst Nederlands reisdocument het Koninkrijk binnen of trachten met een dergelijk paspoort toegang tot andere landen te krijgen. Ook bij smokkel van verdovende middelen en terrorisme wordt misbruik van Nederlandse reisdocumenten gemaakt. Ten slotte is een belangrijke reden om gebruik te maken van valse of vervalste paspoorten, het feit dat deze door financiële instellingen in Nederland worden aanvaard als legitimatiebewijs bij geldhandelingen. Het behoeft geen betoog dat alles in het werk moet worden gesteld om fraude met reisdocumenten tegen te gaan."(5)
"Na afschaffing van de controle aan de buitengrenzen zoals voorzien voor 1992 zal een vreemdeling zich over het gehele grondgebied van de EG vrijelijk kunnen verplaatsen. Dit zal het vervalsen c.q. namaken van reisdocumenten door niet-EG-onderdanen ongetwijfeld aantrekkelijker maken. Aan de buitengrenzen van de Gemeenschap zal dan ook een grondiger controle ter zake noodzakelijk zijn. In het kader van deze controle zal het niet voldoende zijn om de buitenkant van het Europese paspoort te tonen. De met de grensbewaking belaste ambtenaar zal zich ervan moeten vergewissen, dat ook uit de inhoud van het paspoort blijkt dat betrokkene de nationaliteit heeft van één van de EG Lidstaten, althans dat het reisdocument aan betrokkene is afgegeven door één van de Lidstaten."(6)
"(...) zolang de overheid niet aan een ieder een identificerend document verschaft, is de hele samenleving erop aangewezen om, als identificatie gewenst of zelfs voorgeschreven is, gebruik te maken van de documenten die er zijn en die men toereikend meent te kunnen achten. Wie een aangetekende brief afhaalt op het postkantoor - dat gold ook al toen de PTT nog niet geprivatiseerd was - dient ook zijn identiteit aan te tonen. Het toenmalige staatsbedrijf placht dan ook genoegen te nemen met het tonen van een rijbewijs of paspoort. Wie bij de overheid een ander document of een uitkering wenst te verkrijgen, moet ook vaak de identiteit aantonen. Ook dan aanvaardt de overheid als zodanig een geldig paspoort en een geldig rijbewijs - voor mijn part niet al te lang verlopen - maar in elk geval een document waarbij ervan mag worden uitgegaan dat de inhoud de identiteit van betrokkene weergeeft."(7)
11. Uit één en ander kan, op zich weinig verrassend, worden afgeleid dat de wetgever met art. 231 Sr heeft beoogd te voorkomen dat personen zich - aan de grens, bij financiële instellingen, of elders - ten onrechte voordoen als een ander of als zijnde in het bezit van een bepaalde hoedanigheid (bijvoorbeeld de nationaliteit van een bepaald land). Dat vormt een argument om aan te nemen dat een reisdocument dat daartoe niet kan dienen geen reisdocument als bedoeld in art. 231 Sr vormt.(8)
12. Of 'paspoorten' waaraan op geen enkele wijze het risico kleeft dat personen (mede) op grond daarvan (deels) onjuist worden geïdentificeerd daarom nimmer als valse reisdocumenten kunnen gelden kan hier evenwel in het midden blijven. Zoals uit de lagere rechtspraak blijkt, wordt bijvoorbeeld in asielprocedures in voorkomende gevallen wel degelijk enig belang gehecht aan het feit dat iemand in het bezit is van een blanco paspoort.(9) Voortbordurend op de door het Hof aangehaalde woorden van de minister in de toelichting bij de Paspoortwet - dat de productie van blanco reisdocumenten de eerste fase van de levensloop van een reisdocument is - zou dus gezegd kunnen worden dat het geval zich kan voordoen waarin een nog niet op naam gesteld paspoort zelfs al aan zijn werkzame leven begonnen is.
13. Wil van enig risico op misbruik van een (nog) niet gepersonaliseerd vals paspoort sprake zijn, dan zal de uiterlijke verschijningsvorm van dit document uiteraard wel - net als een voltooid vals exemplaar - voldoende vergelijkbaar moeten zijn met een echt paspoort dat nog niet is voorzien van persoonsgegevens en pasfoto. In het onderhavige geval houden de bewijsmiddelen in dat de in beslag genomen Belgische en Spaanse nationale paspoorten - dat was kennelijk evident - door verbalisant [verbalisant 1], werkzaam bij de technische recherche, zijn onderzocht teneinde te achterhalen of deze "echt c.q. vals c.q. vervalst waren". Dat was kennelijk niet aanstonds duidelijk. Uit dit onderzoek kwam voorts naar voren dat de 'paspoorten' waren voorzien van imitatie watermerken (bewijsmiddel 4). Nu niet blijkt dat de verdediging heeft betwist dat de inbeslaggenomen paspoorten, afgezien van het feit dat deze nog niet gepersonaliseerd waren, voldoende overeenkwamen met echte Belgische en Spaanse paspoorten om daarvoor eventueel door te kunnen gaan en in cassatie op dit punt evenmin wordt geklaagd, meen ik dat er in cassatie vanuit gegaan kan worden dat dit het geval was.
14. Bij het voorgaande voegt zich een argument van wetssystematische aard. Zoals het Hof overweegt valt uit de wetsgeschiedenis af te leiden dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om alles in het werk te stellen teneinde frauduleuze handelingen met reisdocumenten tegen te gaan. De wetgever heeft in dit verband met art. 231 Sr beoogd alle misdrijven die met betrekking tot reisdocumenten kunnen worden gepleegd in één strafbepaling samen te brengen.(10) Indien niettemin documenten als in de onderhavige zaak in beslag genomen niet onder het bereik van art. 231 Sr zouden vallen, is niet eenvoudig in te zien welke strafbepaling(en) het bezitten van dergelijke documenten wel zou(den) verbieden. Omdat op overtreding van art. 231 Sr een maximale gevangenisstraf van zes jaar is gesteld, komt strafbaarheid van voorbereidingshandelingen ex art. 46 Sr niet in aanmerking. Art. 234 Sr bepaalt voorts voor zover hier van belang dat "Hij die stoffen, voorwerpen of gegevens (...) voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van enig in artikel (...) 231, eerste lid, (...) omschreven misdrijf, wordt gestraft (...)." De documenten waar het in de onderhavige zaak om draait lijken echter zodanig te zijn bewerkt dat zij het stadium van grondstof zijn ontstegen, terwijl de wetsgeschiedenis er op duidt dat met de in die bepaling genoemde voorwerpen wordt gedoeld op hetgeen tot het namaken en vervalsen gebezigd wordt, zoals gereedschap.(11)
15. Tegen deze achtergrond getuigt het oordeel van het Hof dat het enkele feit dat de inbeslaggenomen valse paspoorten niet waren gepersonificeerd er niet aan in de weg staat om deze documenten aan te merken als reisdocumenten in de zin van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht niet van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op het gevoerde verweer behoefde het geen nadere motivering.
16. Het middel faalt.
17. Het tweede middel is gericht tegen de bewezenverklaring voor zover die inhoudt dat de verdachte in het bezit was van Italiaanse paspoorten waarvan zij wist dat die reisdocumenten vals waren.
18. Het Hof heeft, voor zover hier van belang, vastgesteld dat de verdachte en ene [betrokkene 1] in het perceel [a-straat 1] te [plaats] zijn aangehouden (bewijsmiddel 1), dat in die woning (bewijsmiddel 5) de twee Italiaanse paspoorten in krantenpapier waren gewikkeld en in/achter de onderste lade van de oven in de keuken zijn aangetroffen (bewijsmiddelen 2 en 3), dat de paspoorten op naam van [betrokkene 2], respectievelijk [betrokkene 3] stonden (bewijsmiddel 4), dat [betrokkene 4] de Italiaanse paspoorten aan de verdachte en [betrokkene 1] heeft gegeven (bewijsmiddel 6), dat [betrokkene 1] niet (meer) bij de verdachte woonde op het adres [a-straat 1] te [plaats] (bewijsmiddel 8) en dat de verdachte wist dat de Italiaanse paspoorten vals waren (bewijsmiddel 9). In een nadere bewijsoverweging heeft het Hof voorts het volgende overwogen:
"Verdachte heeft weliswaar verklaard niet te weten hoe de twee Italiaanse paspoorten - waarvan zij weet dat deze vals zijn - in haar woning terecht zijn gekomen, maar het hof hecht aan deze verklaring geen geloof, gelet op de verklaring van [betrokkene 4] die als bewijsmiddel 6 is opgenomen."
19. Het Hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte in het bezit was van de desbetreffende valse Italiaanse paspoorten. Waarom het Hof het gevoerde bewijsverweer heeft verworpen heeft het in de nadere bewijsoverweging op niet onbegrijpelijke wijze uiteen gezet.
20. Het middel faalt.
21. Het derde middel is gericht tegen de strafmotivering. Het falen van dit middel, waarin de binnen de wettelijke grenzen geldende vrijheid van de feitenrechter ten aanzien van de strafoplegging wordt miskend(12), behoeft gelet op art. 81 RO geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
22. Het tweede en derde middel kunnen met de in art. 81 RO bedoelde motivering worden afgedaan.
23. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e, p. 176 en 177, over het ontbreken van feitelijke grondslag.
2 Zie ook bewijsmiddel 4.
3 Kamerstukken II, 1987-1988, 20652, nr. 3, p. 3.
4 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met bestrijding van fraude met paspoorten en andere reisdocumenten, Stb. 1989, 189.
5 Kamerstukken II, 1987-1988, 20 652, nr. 3, p. 1.
6 Kamerstukken II, 1988-1989, 20 652, nr. 5, p. 1
7 De Minister tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de meest recente wijziging van art. 231 Sr, Handelingen II, 1989, 45-2703
8 Ik wijs in dit verband terzijde op art. 440 Sr, waarin als overtreding onder meer zijn strafbaar gesteld bepaalde handelingen ten aanzien van drukwerken of andere voorwerpen in een vorm die ze op reisdocumenten doet gelijken. Dit feit is strafbaar, indien het het plegen van bedrog gemakkelijk maakt en het vertrouwen in het desbetreffende document of papier ondermijnt, waarbij is vereist dat het drukwerk in zijn geheel genomen, althans zoals het vertoond wordt, de indruk maakt echt te zijn (Zie Noyon-Langemeijer-Remmelink, aant. 4 bij art. 440 Sr). Dat is overigens voor kwalificatie onder art. 231 Sr nog niet voldoende, en niet alleen omdat het opzet op de valsheid of het vervalst zijn daarmee niet gegeven is: pas wanneer een in art. 440 Sr bedoeld fantasiedocument zodanig wordt opgetuigd dat het moeilijk van een reisdocument van een bepaald land is te onderscheiden, zal dit kunnen worden beschouwd als een vals reisdocument als bedoeld in art. 231 Sr (Kamerstukken II, 1987-1988, 20 652, nr. 3, p. 3).
9 Vgl. Rb 's-Gravenhage 16 december 2003, LJN AO3080, Rb. 's-Gravenhage, zitting houdende te Haarlem, 5 januari 2001, AWB 99/8372, 99/7560.
10 Kamerstukken II 1987/88 20 652, nr. 3, p. 2-4
11 Vgl. NLR, de aantekening bij art. 234 Sr en aant. 1 bij art. 214 Sr. Uit de omstandigheid dat het Hof in de zaak die leidde tot HR 3 november 1919, W 10 499 naast een balanceerpers, een wals en een veldsmitse ook bladkoper en koperdraad, bedoeld om daarmee gouden tientjes na te maken, als voorwerpen had aangemerkt zou ik niet willen afleiden dat dat koper (ook) als voorwerp kon gelden. Het middel ging over iets anders en voor de strafbaarheid van het feit maakte het geen verschil of sprake was van grondstoffen of voorwerpen. Wellicht zag de Hoge Raad daarom geen reden ambtshalve in te grijpen. Smidt II, p. 267 vermeldt dat art. 234 Sr terugslaat op (thans) art. 214 Sr. Bij (thans) art. 214 Sr staat vermeld dat de MvT inhoudt: "Zoodra vaststaat, dat het voorwerp hetzij uit zijnen aard, hetzij blijkens de omgeving en verhouding waarin het voorkomt, bestemd is tot het plegen van een muntmisdrijf, is dit artikel van toepassing. Ook het tot eigen gebruik voorhanden hebben van door anderen vervaardigde voorwerpen is strafbaar. Stoffen of werktuigen (later vervangen door "voorwerpen", PV) omvat behalve de metalen en instrumenten ook de scheikundige hulpmiddelen, die tot vervaardiging van valsche munt dienstig zijn." Tegen het beperken van "voorwerpen" tot - kort gezegd - werktuigen zou op het eerste gezicht kunnen pleiten dat art. 234 Sr laatstelijk is gewijzigd naar aanleiding van het Kaderbesluit betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten (PbEG L 149). Daarin is de lidstaten in art. 4 onder meer opgedragen strafbaar te stellen: "Het op bedrieglijke wijze vervaardigen, ontvangen, verkrijgen, verkopen of overdragen aan derden, dan wel het bezit van: instrumenten, voorwerpen (die dus kennelijk geen instrumenten zijn, PV), computerprogramma's of andere middelen die naar hun aard bestemd zijn voor het plegen van [namaak of vervalsing van betaalinstrumenten]". Dit Kaderbesluit heeft echter geen betrekking op fraude met reisdocumenten. Pas na aandringen van het Openbaar Ministerie is aan art. 234 Sr ook een verwijzing naar art. 231 Sr toegevoegd, omdat in de praktijk fraude met betaalpassen en waardekaarten veelal gepaard gaat met vervalsing van identiteitsbewijzen (Kamerstukken II, 2002-2003, 29 025, nr. 3 p. 6).
12 Vgl. Van Dorst, a.w., p. 262 e.v.
Uitspraak23 juni 2009
Strafkamer
nr. 07/12655
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 4 oktober 2007, nummer 24/002290-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof een verweer, inhoudende dat een twintigtal Belgische en Spaanse (blanco) paspoorten geen reisdocumenten zijn als bedoeld in art. 231 Sr, ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, heeft verworpen.
2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"zij op 24 mei 2006 te Amsterdam in het bezit was van Italiaanse paspoorten waarvan zij wist dat die reisdocumenten vals waren, bestaande die valsheid hierin dat die reisdocumenten waren voorzien van imitatiewatermerken en vals laminaat en waren bewerkt met een imitatieprinttechniek, en in het bezit was van reisdocumenten, te weten tien Belgische paspoorten en 10 Spaanse paspoorten, waarvan zij wist dat die reisdocumenten vals waren bestaande die valsheid hierin dat
* bij de Belgische paspoorten de gedrukte serienummers en overige echtheidskenmerken ontbraken en de paspoorten waren voorzien van imitatiewatermerken, en
* bij de Spaanse paspoorten echtheidskenmerken ontbraken en de paspoorten waren voorzien van imitatiewatermerken."
2.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof primair het standpunt ingenomen dat de in de woning van verdachte aangetroffen Franse, Spaanse en Belgische blanco paspoorten niet kunnen worden aangemerkt als reisdocumenten in de zin van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, nu zij - doordat zij niet zijn gepersonaliseerd - feitelijk (nog) niet als zodanig gebruikt kunnen worden. De documenten kunnen slechts als grondstoffen voor een reisdocument aangemerkt worden. Verdachte moet derhalve ten aanzien van deze documenten worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht - die mede te vinden is in de wetsgeschiedenis van de Paspoortwet - valt af te leiden dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om alles in het werk te stellen teneinde frauduleuze handelingen met zowel Nederlandse als buitenlandse reisdocumenten tegen te gaan (Kamerstukken II 1987/88 20 652, nr. 3, p. 1-2). Daartoe is onder meer bij de wet van 24 mei 1989, in werking getreden op 1 augustus 1989, de strafbaarstelling ten aanzien van fraude met reisdocumenten in artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht uitgebreid. Bovendien is bij wet van 21 april 2004, in werking getreden op 16 juni 2004, naar aanleiding van het Europees kaderbesluit betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten, het strafmaximum in beide leden van dat artikel verhoogd. Duidelijk is dat het de wetgever ernst is met de bestrijding van valse/vervalste reisdocumenten.
De vraag die in de onderhavige zaak aan de orde is, is of het begrip 'reisdocument' in artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht zo (beperkt) moet worden uitgelegd, dat daaronder slechts die documenten vallen die zijn gepersonaliseerd. Het hof is van oordeel dat voor deze beperkte uitleg geen aanknopingspunt is te vinden in de wetsgeschiedenis, noch van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, noch van de Paspoortwet. In de Memorie van Toelichting naar aanleiding van de meest recente wijziging van de Paspoortwet zijn aanwijzingen voor het tegendeel te vinden. In die Memorie is opgenomen dat is besloten 'de informatievoorziening rond reisdocumenten in de gehele paspoortketen (van productie als blanco document tot en met de definitieve onttrekking aan het verkeer) aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. In de verschillende fasen van de levensloop van een reisdocument zijn immers uiteenlopende informatiebehoeften van de daarbij betrokken actoren te onderkennen en zijn er ook verschillende mogelijkheden voor fraude en misbruik aanwezig, waarvan de bestrijding telkens een andere aanpak vereist.' Voorts wordt gepleit voor een registratie 'waarin documentgegevens worden opgenomen betreffende gestolen of vermiste blanco reisdocumenten en documentgegevens en de daarbij behorende persoonsgegevens van de houder, betreffende gestolen of vermiste gepersonaliseerde reisdocumenten, (...).' (Kamerstukken II 1999/2000 26 977, nr. 3, p. 4). Het begrip 'blanco reisdocument' wordt dus naast het begrip 'gepersonaliseerd reisdocument' gebruikt en de productie van het blanco document wordt aangemerkt als de eerste fase in de levensloop van een reisdocument.
Nu noch de wetstekst, noch de wetsgeschiedenis, noch doel en strekking van de hiervoor genoemde wetgeving steun biedt aan het standpunt van de raadsman, verwerpt het hof het verweer."
2.4. De tenlastelegging is toegesneden op art. 231 Sr. Deze bepaling luidt:
"1. Hij die een reisdocument valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig stuk op grond van valse gegevens doet verstrekken dan wel een aan hem of een ander verstrekt reisdocument ter beschikking stelt van een derde, met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die in het bezit is van een reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument."
2.5. Noch de tekst van de wet, noch de in de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven wetsgeschiedenis biedt steun aan de aan het middel en het door het Hof verworpen verweer ten grondslag liggende opvatting dat een blanco paspoort geen "reisdocument" in de zin van art. 231 Sr kan zijn. Het Hof heeft het verweer mitsdien terecht en op goede gronden verworpen.
2.6. Het middel faalt.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 23 juni 2009.
Vrijspraak hennepzaak 14.000 plantenadd
LJN: BH4982, Gerechtshof Leeuwarden , 24-002307-06 Print uitspraak
Datum uitspraak: 05-03-2009
Datum publicatie: 05-03-2009
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Aan verdachte is ten laste gelegd het medeplegen van telen dan wel aanwezig hebben van een groot aantal hennepplanten. Algehele vrijspraak, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan.
Uitspraak
Parketnummer: 24-002307-06
Parketnummer eerste aanleg: 17-781030-06
Arrest van 5 maart 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 25 september 2006 in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [1971] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Gebruik van het rechtsmiddel
De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2006 tot 1 juni 2006 te [plaats], (in elk geval) in de gemeenste [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een kassencomplex, gelegen aan of bij de [straat] aldaar) (ongeveer) 6563 hennepplanten en/of 2178 stekken van hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Vrijspraak
Het hof heeft ter zitting van 19 februari 2009 de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] als getuigen gehoord, een en ander als gelast bij tussenarrest van 16 oktober 2008. Het hof acht op grond van het dossier en de nader door voornoemde verbalisanten afgelegde verklaringen niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. P. Koolschijn, voorzitter, mr. P.W.J. Sekeris en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen als griffier.
Voetbalsupporters geen criminele organisatieadd
Naar het oordeel van de rechtbank moet als vaststaand worden aangenomen dat verdachte degene is geweest die op de avond van 10 februari 2006 vanaf het AJAX-home naar Den Haag is vertrokken met een tas met daarin twee zelfgemaakte molotovcocktails. Aangekomen in Den Haag heeft hij, na het aantrekken van plastic handschoenen, de tas met molotov-cocktails meegenomen uit zijn auto en is hij met de deels bewapende groep AJAX-supporters opgelopen naar het ADO-honk. In het ADO-honk zijn er meerdere molotov-cocktails gegooid waardoor er brand is ontstaan. Verdachte wordt vrijgesproken van het telastgelegde: het tot ontploffing brengen van de vuurwerkbom, poging tot moord, poging tot doodslag, voorbereidingshandelingen voor zware mishandeling, deelneming aan een criminele organisatie. Bewezenverklaarde feiten: medeplegen van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen voor goederen te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is; medeplegen van poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd; het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen; het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.
Volledige samenvatting van dit document bekijken
Extract
--------------------------------------------------------------------------------
Eerste aanleg - meervoudig van Decisão, 6 juli 2006
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
(VERKORT VONNIS)
parketnummer 09/757380-06
's-Gravenhage, 6 juli 2006.
De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]
wonende te [adres],
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichtingen Midden Holland,
locatie Haarlem te Haarlem.
De terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 21 juni 2006 en 22 juni 2006.
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.
Er hebben zich elf benadeelde partijen gevoegd.
De officier van justitie mr. R.E.I. Steen heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij gewijzigde telastlegging onder 1.primair, 2.primair, 3.primair eerste en tweede cumulatief/alternatief, 4. primair en 5. telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De officier van justitie heeft bovendien geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen ADO Den Haag NV (€ 307,61), [benadeelde partij 2] (€ 6.500,-), [benadeelde partij 3] (€ 2.819,95), [benadeelde partij 4] (€ 7.394,-), [benadeelde partij 5] (€ 3.000,-), [benadeelde partij 6] ( € 4.910,-), [benadeelde partij 7] (€ 2.850,-), [benadeelde partij 8] (€ 2.500,-) en [benadeelde partij 9] (€ 2.575,-) en tot gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde partij 10] (tot een bedrag van € 3.194,-) en [benadeelde partij 11] (tot een bedrag van € 4.045,-) en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen [benadeelde partij 10] en [benadeelde partij 11] voor het overige. Voorts verzoekt de officier van justitie om te bepalen dat bij betaling door één van de medeverdachten, verdachte niet meer tot betaling gehouden is. Tot slot vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld i...
Read more: http://nl.vlex.com/vid/-39440061#ixzz1BTNU73sQ
Beroep op noodweer, dan wel noodweerexcesadd
LJN: BG4948, Rechtbank Utrecht , 16/600955-08 Print uitspraak
Datum uitspraak: 19-11-2008
Datum publicatie: 21-11-2008
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Zware mishandeling, begaan tegen levensgezel.
Uitspraak
RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
Parketnummer: 16/600955-08
Datum uitspraak: 19 november 2008
Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1954 te Curaçao,
wonende te [woonadres], [woonplaats].
Raadsman: mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
5 november 2008.
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1.Primair
hij één of meermalen op of omstreeks 02 augustus 2008 te Amersfoort, althans in het arrondissement Utrecht, aan [aangever 1], zijnde verdachtes levensgezel, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (namelijk een gebroken (linker) arm, en/of een aantal ernstige kneuzingen), heeft toegebracht, door voornoemde [aangever 1] (telkens) opzettelijk één of meermalen met een (houten) stok, in elk geval een hard voorwerp, met grote kracht tegen haar armen en/of benen en/of hoofd en/of borst en/of buik en/of rug, in elk geval tegen een aantal lichaamsdelen, te slaan en/of met grote kracht tegen haar armen en/of benen en/of hoofd en/of borst en/of buik en/of rug, in elk geval tegen een aantal lichaamsdelen, te schoppen, en/of omver en/of tegen één of meer harde voorwerpen te duwen en/of te gooien;
Subsidiair
hij één of meermalen op of omstreeks 02 augustus 2008 te Amersfoort, althans in het arrondissement Utrecht, (telkens) opzettelijk mishandelend [aangever 1] één of meermalen met een (houten) stok, in elk geval een hard voorwerp, met (grote) kracht tegen haar armen en/of benen en/of hoofd en/of borst en/of buik en/of rug, in elk geval tegen een aantal lichaamsdelen, heeft geslagen en/of met (grote) kracht tegen haar armen en/of benen en/of hoofd en/of borst en/of buik en/of rug, in elk geval tegen een aantal lichaamsdelen, heeft geschopt, en/of omver en/of tegen één of meer harde voorwerpen heeft geduwd en/of gegooid, tengevolge waarvan voornoemde [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken (linker) arm en/of één of meer ernstige kneuzingen), althans (telkens) enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;
2.
hij op of omstreeks 29 januari 2008 te Amersfoort opzettelijk mishandelend zijn
levensgezel, althans een persoon, te weten [aangever 1], meermalen,
althans eenmaal, tegen haar hoofd en/of neus heeft geslagen/gestompt, waardoor
deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
De bewezenverklaring
Ten aanzien van feit 1
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 2 augustus 2008 te Amersfoort zijn partner [aangever 1] met een stok heeft geslagen. Het slachtoffer heeft ter terechtzitting verklaard dat zij verdachte eerst met een pan op zijn hoofd heeft geslagen en dat verdachte in reactie hierop haar met een stok heeft geslagen. Uit de medische informatie over het slachtoffer blijkt dat zij een gebroken linkerarm en diverse bloeduitstortingen op haar borst, buik en rug heeft opgelopen.
Ten aanzien van feit 2
Bij de politie heeft verdachte verklaard dat het latere slachtoffer op 29 januari 2008 in de auto het hendeltje waarmee de ruitenwissers aangezet kunnen worden uit boosheid kapot heeft getrapt en dat hij in reactie hierop met zijn rechterhand in de richting van het slachtoffer een beweging maakte en hierbij haar neus raakte. Het slachtoffer heeft in een brief aan de officier van justitie kenbaar gemaakt dat zij en verdachte woorden kregen in de auto en dat zij de ruitenwisser (de rechtbank begrijpt de hendel waarmee de ruitenwissers aangezet kunnen worden) kapot heeft getrapt. Het slachtoffer heeft verklaard dat dit gebeurde terwijl verdachte achter het stuur zat. In reactie hierop heeft verdachte haar een klap gegeven. Het slachtoffer heeft bij de politie verklaard dat zij op het moment dat ze werd geraakt geen pijn voelde, maar later wel een blauwe plek had.
In het dossier bevindt zich een foto van het gezicht van het slachtoffer waarop een wondje op haar neus te zien is.
De rechtbank acht, gelet op voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte
1.Primair
op 02 augustus 2008 te Amersfoort, aan [aangever 1], zijnde verdachtes levensgezel, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (namelijk een gebroken linkerarm, en een aantal ernstige kneuzingen), heeft toegebracht, door voornoemde [aangever 1] opzettelijk meermalen met een houten stok, met grote kracht tegen haar armen en benen en hoofd en borst en buik en rug, te slaan;
2.
op 29 januari 2008 te Amersfoort opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [aangever 1], eenmaal, tegen haar neus heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Beslissing omtrent gevoerde verweren
De rechtbank zal deze verweren die betrekking hebben op de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte hieronder gezamenlijk behandelen.
Ten aanzien van feit 1:
De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting namens de verdachte een beroep gedaan op noodweer c.q. noodweerexces. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer en dat verdachte niets anders kon doen dan te handelen zoals hij heeft gedaan, om dit te stoppen.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij door het latere slachtoffer meermalen met een pan op zijn hoofd is geslagen. Hierdoor is verdachte ten val gekomen. Om dit slaan af te kunnen weren, heeft hij het slachtoffer geslagen met zijn stok.
Ter terechtzitting heeft het slachtoffer [aangever 1] verklaard dat, in tegenstelling tot hetgeen zij bij de politie heeft verklaard, zij begonnen is met het slaan, door verdachte met een pan op zijn hoofd te slaan. Het slachtoffer heeft de verklaring van verdachte, ten aanzien van zijn verdediging, bevestigd in haar ter terechtzitting afgelegde verklaring.
Noodweer
De rechtbank wil wel aannemen dat, gelet op de ter terechtzitting afgelegde verklaring door het slachtoffer, verdachte zich in een situatie bevond waarin de verdediging, van zichzelf, tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke gewelddadige aanranding door het slachtoffer geboden was. Het door verdachte gekozen verdedigingsmiddel en de wijze waarop hij dit heeft aangewend waren naar het oordeel van de rechtbank echter disproportioneel in de geschetste situatie, zodat de verdachte een beroep op noodweer ter rechtvaardiging van het feit moet worden ontzegd.
Noodweerexces
Voorts acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging van verdachte, die door het door het slachtoffer toegepaste geweld is veroorzaakt, zoals de raadsman heeft aangevoerd. De verdachte heeft immers, zoals hij zelf heeft verklaard, [aangever 1] bewust niet in de richting van haar hoofd geslagen, omdat hij weet dat hij met zijn kracht haar dan misschien wel dood had kunnen slaan. Ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op het moment van het slaan niet van de wereld was en zichzelf goed onder controle had.
Naar het oordeel van de rechtbank was er aldus geen sprake van een hevige gemoedsbeweging van waaruit verdachte heeft gehandeld, maar heeft verdachte eerder berekenend gehandeld, zodat verdachte een beroep op noodweerexces ter rechtvaardiging van zijn handelen moet worden ontzegd.
Ten aanzien van feit 2:
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting namens de verdachte een beroep gedaan op noodweer. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zichzelf en de auto door het latere slachtoffer en dat verdachte niets anders kon dan te handelen zoals hij heeft gedaan, om dit te stoppen.
Noodweer
Uit de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat het slachtoffer en de verdachte ruzie hadden in de auto en dat het slachtoffer een trappende beweging heeft gemaakt in de richting van het stuur van het voertuig, welke op dat moment werd bestuurd door verdachte. De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen het slachtoffer en de verdachte tijdens de zitting naar voren hebben gebracht voldoende aannemelijk is geworden dat er door de voortdurende ruzie en de trappende beweging van het slachtoffer een gevaarlijke situatie in het verkeer ontstond. De verdachte heeft het slachtoffer een klap gegeven om te bewerkstelligen dat zij haar gedrag zou stoppen. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie, waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen.
Het beroep op noodweer slaagt derhalve.
De strafbaarheid van het feit
Gelet op het hiervoor overwogene is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:
Zware mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel
Het onder 2 bewezenverklaarde levert geen strafbaar feit op. De verdachte moet voor wat betreft dat feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
bn
De strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit voor het onder 1 bewezenverklaarde feit uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering van de op te leggen sanctie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte voor de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot -kort gezegd- een gevangenisstraf voor de duur van 28 weken, waarvan 20 weken voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact met hierbij een meldingsgebod, een alcoholverbod en ambulante behandeling.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank zwaar laten wegen, dat verdachte en zijn partner er voor hebben gekozen om samen verder te gaan. Ondanks het feit dat verdachte zich veel te veel heeft laten gaan. Daardoor heeft het slachtoffer een breuk opgelopen in haar onderarm en diverse bloeduitstortingen. Door de breuk in haar onderarm is het slachtoffer zes dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis. Door dit handelen heeft verdachte zich ronduit onbehoorlijk gedragen jegens zijn levensgezellin.
In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank laten meewegen dat uit het strafblad van verdachte niet is gebleken van andere veroordelingen.
Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank voorts gelet op:
- een voorlichtingsrapport betreffende verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 19 september 2008, opgemaakt door M. Tijhuis, reclasseringswerker;
- een adviesrapport betreffende verdachte van de Reclassering Nederland d.d. 4 november 2008, opgemaakt door L. van de Schoor.
De rechtbank acht, alles afwegende, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden, om met name de ernst van de zware mishandeling te onderstrepen.
De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
DE BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart dat het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde niet strafbaar.
Ontslaat de verdachte voor het onder 2 bewezenverklaarde van alle rechtsvervolging.
Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 180 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 121 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.
Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:
- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht,
- met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.F. Bueno, Z.J. Oosting en R.P.G.L.M. Verbunt, bijgestaan door mr. L.C.J. van der Heijden als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 november 2008.
Mr. R.P.G.L.M. Verbunt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Media aangepakt door advocaat na onjuiste berichtgeving en weigering rectificatieadd
A. Gokmen tegen de hoofdredacteur van RTV Utrecht
Nummer 2005/54
Zittingsdatum 2005-08-25
Datum 2005-10-17
klagers A. Gokmen
betrokkenen de hoofdredacteur van RTV Utrecht
medium RTV Utrecht
beslissing deels gegrond
journalistieke werkwijze bronnen
feitenweergave onjuiste berichtgeving, tendentieuze berichtgeving
privacy vermelding persoonlijke gegevens
rectificatie/ weerwoord rectificatie
aard van het medium internet, radio (lokale/regionale omroep), televisie (lokale/regionale omroep), website
casus
..Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
A. Gokmen
tegen
de hoofdredacteur van RTV Utrecht
Bij brief van 7 juli 2005 met vijf bijlagen heeft mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, namens A. Gokmen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van RTV Utrecht (hierna: verweerder). Hierop heeft P. van der Lugt, algemeen directeur, geantwoord in een brief van 13 juli 2005 met drie bijlagen, waaronder een video-opname van de gewraakte uitzending.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 augustus 2005. Namens klager is daar voornoemde mr. Hendrickx verschenen, die de klacht heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Aan de zijde van verweerder zijn verschenen A. van de Ven, plaatsvervangend directeur, en W.A. Kramer, hoofd nieuwsredactie. Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de video-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
DE FEITEN
Op 24 maart 2005 is in een televisie-uitzending van RTV Utrecht (hierna: de uitzending) een kort nieuwsitem uitgezonden met onder meer de volgende passages:
“Ook in Utrecht een steekpartij. Daar liep een ruzie tussen een slager en zijn medewerker gisteravond uit de hand. Het personeelslid raakte daarbij gewond.”
en
“De ruzie ontstond in een Islamitische slagerij in de Adriaan van Bergenstraat; dat is de wijk Zuilen. De twee mannen kregen ruzie, waarna de slager een schroevendraaier greep en zijn medewerker neerstak. De verwondingen vielen mee; de man is na een korte behandeling in het ziekenhuis weer thuis. De slager zit nog altijd vast op het politiebureau.”
In de uitzending zijn beelden van de desbetreffende slagerij getoond.
Diezelfde dag is een bericht op de website www.rtvutrecht.nl geplaatst onder de kop “Slager steekt medewerker neer”. Het bericht luidt:
“UTRECHT – Bij een islamitische slagerij in de Utrechtse wijk Zuilen is woensdagavond een man neergestoken. Het zou gaan om een medewerker van de winkel aan de Adriaan van Bergenstraat. Volgens de politie had hij ruzie met de eigenaar van de slagerij. Die zou hem vervolgens met een mes hebben gestoken. De man is aangehouden.”
Ook in radio-uitzendingen van RTV Utrecht is aandacht aan de kwestie besteed. Klager is de in de berichtgeving bedoelde slager.
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Klager stelt dat de uitzendingen en de publicatie op de website van verweerder zeer belastend voor hem zijn. In de berichtgeving wordt ervan uitgegaan dat klager één van zijn medewerkers heeft neergestoken in zijn slagerij, terwijl hij in het geheel niet bij het incident betrokken was. Bovendien was het slachtoffer geen medewerker van hem en heeft het incident zich niet in zijn slagerij voorgedaan. De bij de steekpartij betrokken personen hebben helemaal niets van doen met zijn slagerij. Het incident heeft plaatsgevonden op een grasveld tegenover zijn slagerij. Hij is vervolgens te hulp geschoten en heeft de verdachte meegenomen zijn slagerij in, om deze te kalmeren en verdere escalatie van het incident te voorkomen. Toen de politie arriveerde ontstond enige verwarring over zijn betrokkenheid bij het incident, maar die is meteen opgehelderd, aldus klager. Dat hij niet betrokken was bij het incident, was dus direct duidelijk bij de politie. Hij heeft ook nooit vastgezeten voor verhoor.
Verder wijst klager erop dat een verslaggever van RTV Utrecht ter plaatse was en bijna een half uur heeft gefilmd. Volgens klager had de verslaggever op zijn minst navraag kunnen doen bij hemzelf of een van zijn medewerkers, of bij andere getuigen. Dat is echter niet gebeurd.
De raadsman van klager heeft diens bezwaren tegen de berichtgeving vervolgens kenbaar gemaakt aan verweerder en deze verzocht de berichtgeving te rectificeren alsmede het bericht op de website te verwijderen. Verweerder is daar echter ten onrechte niet toe overgegaan, aldus klager.
Hij betoogt dat hij schade heeft ondervonden van de onjuiste berichtgeving. Hij voelt zich aangetast in zijn eer en goede naam nu ten onrechte de indruk is gewekt dat hij een medewerker heeft neergestoken. Bovendien zijn klanten bij zijn slagerij weggebleven en is daardoor zijn omzet teruggelopen. Navraag leerde hem dat dit te maken heeft met de gewraakte berichtgeving, die door lezers en kijkers voor waar wordt gehouden.
Verweerder stelt dat een van zijn cameramensen op de avond van 23 maart 2005 via de politiescanner een melding hoorde van de steekpartij. De cameraman is naar de plaats van het incident gegaan en heeft daar gefilmd. Hij kreeg toestemming beelden te maken van het technisch onderzoek dat op dat moment plaatsvond in de slagerij van klager. De cameraman heeft van de aanwezige politie vernomen dat het ging om een steekpartij in de desbetreffende slagerij waarbij de slager vermoedelijk met een schroevendraaier had ingestoken op een persoon. Verweerder heeft de volgende ochtend nog een keer navraag gedaan bij een politiewoordvoerder, die de informatie bevestigde en meedeelde dat de verdachte nog vastzat. Gezien de gang van zaken ging verweerder ervan uit dat met ‘de verdachte’ klager werd bedoeld.
Volgens verweerder bestond geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de politie verstrekte informatie. Hij heeft goede ervaringen met de Utrechtse politie met betrekking tot het verkrijgen van betrouwbare informatie. Bovendien beschikte hij over beelden van het recherche-onderzoek in de slagerij. Naar later is gebleken, heeft de politie onjuiste informatie verstrekt, hetgeen verweerder de politie kwalijk neemt. Hij is echter van mening dat een en ander hem niet kan worden verweten en dat hij mocht afgaan op de informatie van de politie.
Verweerder acht het overigens niet aannemelijk dat de slagerij inkomstenderving heeft geleden als gevolg van de berichtgeving, nu daarin de naam van klager en de naam van diens slagerij niet zijn genoemd.
Doordat de contacten met de advocaat van klager onprettig verliepen, heeft verweerder vervolgens afgezien van rectificatie van de berichtgeving. Hij heeft ter zitting aangegeven niet onwelwillend te staan tegenover rectificatie, maar vraagt zich af of het wenselijk is klager c.q. diens slagerij wederom in het nieuws te brengen met betrekking tot de steekpartij.
BEOORDELING VAN DE KLACHT
De klacht is gericht op de volgende gedragingen van verweerder:
1. het berichten dat klager één van zijn medewerkers heeft neergestoken, hetgeen – zoals later is gebleken – feitelijk onjuist is;
2. de weigering om tot rectificatie van de onjuiste berichtgeving over te gaan, hetgeen de schade toegebracht aan zijn goede naam en die van zijn slagerij heeft laten bestaan.
Wat betreft onderdeel 1. van de klacht overweegt de Raad het navolgende. Verweerder heeft gesteld, en klager heeft zulks niet weersproken, dat zijn cameraman op de avond van het incident informatie heeft verkregen van de ter plaatse aanwezige politie en dat hij die informatie de volgende ochtend bij een politiewoordvoerder heeft geverifieerd, alvorens tot publicatie c.q. uitzending over te gaan. Naar het oordeel van de Raad mocht verweerder ervan uitgaan dat de aldus door hem verkregen informatie betrouwbaar was.
Hoewel klager terecht stelt dat de persoonlijke levenssfeer niet verder mag worden aangetast dan in het kader van een open berichtgeving nodig is, acht de Raad het in beeld brengen van de betrokken slagerij in dit geval niet onzorgvuldig. De wijze waarop de slagerij van klager in de berichtgeving is aangeduid, is evenmin onzorgvuldig. Daardoor is voorkomen dat wellicht andere slagerijen in de buurt in diskrediet zouden worden gebracht. Het voorkomen van verwarring met andere slagerijen rechtvaardigt de handelwijze van verweerder (vgl. onder meer: X/Zwolse Courant, RvdJ 2003/33).
Alles overziend komt de Raad tot de slotsom dat verweerder met de wijze waarop hij heeft bericht dat klager één van zijn medewerkers heeft neergestoken, geen grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
Echter, nadat het verweerder duidelijk was geworden dat de berichtgeving feitelijk onjuist was en dat klager derhalve niet werd verdacht van het neersteken van één van zijn medewerkers, had hij de onjuiste berichtgeving eigener beweging op zo kort mogelijke termijn behoren te rectificeren. Hij heeft dat ten onrechte nagelaten. Voortbestaan van de verdenking berokkende klager nodeloos schade in zijn belang. Het beroep van verweerder op zogenaamd onprettig gedrag van de advocaat van klager als reden voor het nalaten van een rectificatie acht de Raad onprofessioneel en onjuist. Voor zover de klacht erop is gericht dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd een rectificatie te plaatsen, is deze derhalve gegrond. (vgl. Koop Holding/Cobouw, RvdJ 2005/41)
Dat de internetsite een archieffunctie heeft, waardoor het bericht niet van de site kan worden gehaald, ontslaat verweerder niet van zijn verantwoordelijkheid om onjuiste berichtgeving te rectificeren. Een dergelijk bericht kan bijvoorbeeld worden aangevuld met een mededeling dat achteraf is gebleken dat het bericht feitelijk onjuist is.
BESLISSING
Voor zover de klacht betrekking heeft op de weigering de onjuiste berichtgeving te rectificeren, is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.
De Raad verzoekt verweerder aan deze beslissing aandacht te besteden in een radio- en televisie-uitzending van RTV Utrecht en de beslissing integraal of in samenvatting op de website www.rtvutrecht.nl te publiceren.
Aldus vastgesteld door de Raad op 17 oktober 2005 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, mw. drs. P.C.J. van Schaveren, mr. A.H. Schmeink en prof. drs. E. van Thijn, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. drs. M.M. van der Smissen, plaatsvervangend secretaris.
--------------------------------------------------------------------------------
Raad voor de Journalistiek Johannes Vermeerstraat 22 - 1071 DR Amsterdam - tel.: 020 - 6735727 - fax: 020 - 6799065 - info@raad@rvdj.nl
Rechtbank: Uitlevering ontoelaatbaar, Hoge Raad denkt daar anders overadd
Samenvatting
--------------------------------------------------------------------------------
Uitlevering naar Macedonië. Weigeringsgrond ex art. 3.1 Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV. In HR LJN BB7699 heeft de HR o.m. overwogen dat o.g.v. art. 3.1 Tweede Aanvullend Protocol EUV uitlevering t.b.v. de tul van een verstekvonnis weliswaar kan worden geweigerd, doch niet indien de verzoekende Staat "een verzekering geeft die voldoende wordt geacht om de opgeëiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd". Het gaat hier om een door de uitleveringsrechter te beoordelen weigeringsgrond. Indien naar diens oordeel de door de verzoekende Staat gegeven verzekering onvoldoende is, dient hij de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Voorts brengt het vertrouwensbeginsel mee dat de uitleveringsrechter in beginsel ervan dient uit te gaan dat de verzoekende Staat de bepalingen van de toepasselijke uitleveringsverdragen zal naleven. Dat lijdt slechts uitzondering indien - vzv. hier van belang - (a) uit f&o blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verzoekende Staat de gedane toezegging niet zal nakomen, waardoor de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6.1 EVRM toekomend recht, en (b) voorts n.a.v. een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel a.b.i. art. 13 EVRM ten dienste staat t.z.v. die inbreuk. I.c is de HR o.g.v. de inhoud van een schrijven van het Ministerie van Justitie van Macedonië van oordeel dat de verzoekende Staat een verzekering i.d.z.v. meergenoemd art. 3.1 heeft gegeven. Van een uitzondering als hiervoor bedoeld is geen sprake.
Volledige samenvatting van dit document bekijken
Extract
--------------------------------------------------------------------------------
Cassatie van Hoge Raad, 16 september 2008
16 september 2008
Strafkamernr.
S 07/10547 USB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
inzake het verzoek tot uitlevering aan de Republiek Macedonië van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Utrecht, locatie Nieuwegein" te Nieuwegein.
1. De procesgang
1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 27 mei 2008. In dat arrest is de uitspraak van de Rechtbank te Utrecht van 27 juni 2007...
Read more: http://nl.vlex.com/vid/-42695822#ixzz1BTOApR6m
Megazaak, 23 voudige vrijspraak mr Hendrikcxadd
VERKORT VONNIS van de Rechtbank Rotterdam, zittinghoudende te Alkmaar, Meervoudige Kamer voor Strafzaken, in de zaak van het
OPENBAAR MINISTERIE
tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
wonende te [woonplaats],
thans gedetineerd in PI Noord-Holland Noord - HvB Zwaag.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juni 2006, 3 augustus 2006, 16 oktober 2006, 17 oktober 2006, 24 oktober 2006, 2 november 2006 en 20 november 2006.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, zakelijk weergegeven, tot:
- vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde ten aanzien van de transporten van 15 februari 2004, 27 februari 2004, [G.H], 16 maart 2004, 19 maart 2004, 24 maart 2004, 29 mei 2004, 1 juni 2004 en 2 juni 2004 en ten aanzien van het safehouse, gelegen aan de [adres1].
- bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde ten aanzien van de transporten van 3 november 2003, Duinkerken, 10 november 2003, [L.C], 22 november 2003, 24 november 2003, 25 november 2003, 6 december 2003, 14 januari 2004, 29 januari 2004, 2 februari 2004, 10 februari 2004, 17 februari 2004, Aankomst 4 personen in Engeland, [H.D.Q], en ten aanzien van de safehouses [adres 2], [adres 3] en de [adres 4] en van het onder 2 tenlastegelegde;
- veroordeling van verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar en zes maanden met aftrek van de tijd door verdachte in voorlopige hechtenis in Nederland en in Duitsland(uitleveringsdetentie) doorgebracht.
De rechtbank heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en mr. W. Hendrickx, raadsman van de verdachte, naar voren is gebracht.
Voor zover in dit vonnis de processen-verbaal met de daarbij behorende bijlagen van het zogenoemde onderzoek [onderzoek] en de processen-verbaal uit de zaakdossiers worden aangehaald, zullen de paginanummers worden genoemd zoals deze voorkomen in het door de officier van justitie aan de rechtbank overgelegde digitale dossier (inclusief de daarop gevolgde aanvullingen).
1. TENLASTELEGGING
Op vordering van de officier van justitie is de omschrijving van de tenlastelegging op de terechtzitting van 3 augustus 2006 gewijzigd op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering.
Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat
1.
hij
in of omstreeks de periode van 21 augustus 2003 tot en met 8 juni 2004 te Rotterdam en/of Den Haag en/of Schiedam en/of Dordrecht en/of Breda en/of Hazeldonk en/of luchthaven Schiphol, Gemeente Haarlemmermeer en/of Lutte, Gemeente Losser en/of (elders) in Nederland, en/of België en/of Frankrijk en/of Duitsland en/of Engeland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, beroepsmatig, althans uit gewoonte, in elk geval meermalen, althans eenmaal,
(telkens) een of meer perso(o)n(en) uit winstbejag opzettelijk behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of het verblijven in Nederland en/of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen en/of (telkens) een of meer perso(o)n(en) daartoe uit winstbejag gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat die toegang en/of dat verblijf van die perso(o)n(en) in Nederland en/of enige staat welke gehouden was mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen (telkens) wederrechteljk was/waren;
hierin bestaande dat hij, verdachte, tezamen met een of meer mededader(s), althans alleen, (tegen betaling) (onder meer) behulpzaam was bij het in Nederland toegang verschaffen en/of onderbrengen (in safehouses) en/of vervoeren van verschillende personen van buitenlandse nationaliteit, waaronder:
* (Transport 3 november 2003)
in of omstreeks de periode van 28 oktober 2003 tot en met 3 november 2003 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland
[D.W.], althans een onbekend gebleven persoon (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit, genaamd [C.H.]), onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 2]) en/of (per bus) naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of (een) (bus)ticket(s) heeft verstrekt, althans voor die [D.W.] althans die persoon genaamd [C.H], heeft aangeschaft, en/of (vervolgens) in een bus (met bestemming Valencia, althans Spanje) heeft doen instappen, althans naar die bus heeft begeleid;
en/of
* (Transport Duinkerken)
in of omstreeks de periode van 9 oktober 2003 tot en met 8 november 2003 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of België en/of Frankrijk zes, althans een of meer, onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit, waaronder een persoon genaamd [G.Q.W] en/of een persoon genaamd [J.R.X]), onderdak heeft verschaft in een of meer pand(en) en/of naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of met de trein heeft begeleid naar België en/of gedurende diens/hun reis (telefonisch) aanwijzingen heeft gegeven (onder meer over de reisroute en/of de te volgen smokkeltaktiek) en/of heeft vervoerd/doen vervoeren naar Duinkerken, althans Frankrijk, (teneinde die [G.Q.W] en/of [J.R.X] en/of die (overige) perso(o)n(en) (per huiftrailer) naar Engeland te (doen) vervoeren begeleiden);
en/of
* (Transport 10 november 2003)
op of omstreeks 10 november 2003 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of België drie, althans een of meer, onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of (vervolgens) met de trein heeft begeleid naar Brussel-Zuid, althans België;
en/of
* (Transport [L.C.])
in of omstreeks de periode van 10 november 2003 tot en met 28 januari 2004 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Frankrijk en/of Engeland [L.C], althans een onbekend gebleven persoon (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), onderdak heeft verschaft en/of (telefonisch) aanwijzingen heeft gegeven (onder meer over de reisroute en/of de te volgen smokkeltaktiek) en/of met de trein heeft begeleid/doen vervoeren naar België en/of (vervolgens) (per vrachtauto) heeft vervoerd/doen vervoeren naar Engeland;
en/of
* (Transport 22 november 2003)
in of omstreeks de periode van 12 november 2003 tot en met 22 november 2003 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland
- [L.G.] en/of
- [Z.G.], althans een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische
persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 2]) en/of naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of
(bus)tickets heeft verstrekt, althans voor die [L.G.] en/of [Z.G.], althans een of meer van die perso(o)n(en), heeft aangeschaft, en/of (vervolgens) in een bus (met bestemming Valencia, althans Spanje) heeft doen instappen, althans naar die bus heeft begeleid;
en/of
* (Transport 24 november 2003)
in of omstreeks de periode van 12 november 2003 tot en met 24 november 2003 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland
- [W.D.] en/of
- [Z.N.], althans een onbekend gebleven man en/of een onbekend gebleven vrouw (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 2]) en/of naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of (bus)tickets heeft verstrekt, althans voor die [W.D.] en/of [Z.N.], althans voor die man en/of vrouw, heeft aangeschaft, en/of (vervolgens) in een bus (met bestemming Barcelona, althans Spanje) heeft doen instappen, althans naar die bus heeft begeleid;
en/of
* (Transport 25 november 2003)
op of omstreeks 25 november 2003 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland
- [D.D.W] en/of
- [T.W.T],
althans een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische
persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse,
nationaliteit), naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of (bus)tickets heeft verstrekt, althans voor die [W.] en/of [T.], althans die perso(o)n(en), heeft aangeschaft, en/of (vervolgens) in een bus (met bestemming Madrid, althans Spanje) heeft doen instappen, althans naar die bus heeft begeleid;
en/of
* (Transport 6 december 2003)
in of omstreeks de periode van 1 december 2003 tot en met 6 december 2003 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland
- [W.C.] en/of
- [J.L] en/of
- [D.D.W.]en/of
- [J.J.W.],
althans een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse,
nationaliteit), onderdak heeft verschaft in een of meer pand(en) (onder meer gelegen aan [adres 2]) en/of naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of (bus)tickets heeft verstrekt, althans voor die [C] en/of [L] en/of [W]
en/of [W], althans die perso(o)n(en), heeft aangeschaft, en/of (vervolgens) in een bus (met bestemming Barcelona, althans Spanje) heeft doen instappen, althans naar die bus heeft begeleid;
en/of
* (Transport 14 januari 2004)
in of omstreeks de periode van 4 januari 2004 tot en met 14 januari 2004 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland
- [H.L.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [W.H.X] ([geboortedatum en geboortplaats]),
althans een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan de [adres 2]) en/of naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of (bus)tickets heeft verstrekt, althans voor die [L.] en/of [X], althans die perso(o)n(en), heeft aangeschaft, en/of (vervolgens) in een bus (met bestemming Luik, althans België, en/of (vervolgens) Barcelona, althans Spanje) heeft doen instappen, althans naar die bus heeft begeleid;
en/of
* (Transport 29 januari 2004)
in of omstreeks de periode van 28 januari 2004 tot en met 29 januari 2004 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of België
- [X.B.] en/of
- [M.B.],
althans een of meer onbekend gebleven vrouw(en) (met Aziatische
persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), (telefonisch) aanwijzingen heeft gegeven (onder meer over de reisroute) en/of (trein)tickets heeft verstrekt, althans voor die [X.B.] en/of [M.B], althans voor die vrouw(en), heeft aangeschaft, en/of (vervolgens) met de trein heeft begeleid naar Antwerpen-Berchem, althans België;
en/of
* (Transport 2 februari 2004)
in of omstreeks de periode van 18 december 2003 tot en met 2 februari 2004 te Rotterdam en/of Den Haag en/of Dordrecht en/of (elders) in Nederland en/of België drie mannen en/of een vrouw, althans een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en! of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit, waaronder een persoon genaamd [G.S.] en/of een persoon genaamd [Y.H.]),
in een of meer pand(en) (te Rotterdam en/of Den Haag en/of Dordrecht) onderdak heeft verschaft en/of naar het Centraal Station te.Rotterdam heeft begeleid en/of (trein)tickets heeft verstrekt, althans voor een of meer van die perso(o)n(en) heeft aangeschaft, en/of
(vervolgens) met de trein heeft begeleid naar Brussel-Zuid, althans België, (teneinde die perso(o)n(en), waaronder die persoon genaamd [G.S.] en/of die persoon genaamd [Y.H], naar Engeland te (doen) vervoeren/begeleiden);
en/of
* (Transport 10 februari 2004)
in of omstreeks de periode van 10 februari 2004 tot en met 11 februari 2004 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of te Brussel en/of (elders) in België, en/of te Calais en/of (elders) in Frankrijk
- [X.H.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [M.A.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [Y.C.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [P.H.H] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [L.N.T] ([geboortedatum en geboorteplaats]),
althans een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit, waaronder een persoon genaamd [Y.M.]), onderdak heeft verschaft in een of meer pand(en) (gelegen in Rotterdam) en/of naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of gedurende dier/hun reis van Nederland richting het buitenland, althans het Centraal Station te Rotterdam, (telefonisch) aanwijzingen heeft gegeven (onder meer over de reisroute en/of de te volgen smokkeltaktiek) en/of (vervolgens) met de trein heeft begeleid naar Brussel-Zuid, althans naar België, en/of (vervolgens) heeft vervoerd/doen vervoeren naar Calais, althans naar Frankrijk, (teneinde die [X.H.] en/of [M.A.] en/of [Y.C] en/of [P.H.H.] en/of [L.N.T.], althans die perso(o)n(en) (per huiftrailer) naar Engeland te (doen) vervoeren/begeleiden);
en/of
* (Transport 15 februari 2004)
op of omstreeks 15 februari 2004 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland
- [F.J.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [X.F.] ([geboortedatum en geboorteplaats])
onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 1]) en/of met een auto (merk Rover, kenteken [kenteken]) heeft opgehaald (in Rotterdam) en/of (vervolgens) in die auto heeft vervoerd in de richting van de Belgische grens (teneinde die [P.J.] en/of [X.F.] naar Spanje te vervoeren/begeleiden);
en/of
* (Transport 17 februari 2004)
op of omstreeks 17 februari 2004 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of België
vijf, althans een of meer, onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit, waaronder een persoon genaamd [G.P.] en/of een persoon genaamd [G.S.]), naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of (trein)tickets
heeft verstrekt, althans voor een of meer van die perso(o)n(en) heeft aangeschaft, en/of (vervolgens) met de trein heeft begeleid naar Antwerpen en/of Brussel (teneinde die perso(o)n(en), waaronder die persoon genaamd [G.P], naar Engeland te (doen) vervoeren/begeleiden);
en/of
* (Transport 27 februari 2004)
in of omstreeks de periode van 27 februari 2004 tot en met 28 februari 2004 te
Rotterdam en/of Breda en/of (elders) in Nederland en/of België en/of Frankrijk
- [F.J.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [X.F.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- twee, althans een of meer, onbekend gebleven perso (o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 1]) en/of (trein)tickets heeft verstrekt, althans voor hen heeft aangeschaft, en/of (vervolgens) met de trein heeft begeleid naar Breda en/of met een auto (merk Rover, kenteken [kenteken]) heeft opgehaald (in Breda) en/of (vervolgens) in die auto naar België en/of Frankrijk heeft vervoerd (teneinde die [F.J.] en/of [X.F.] en/of die onbekend gebleven perso(o)n(en) naar Madrid, althans Spanje, te vervoeren/begeleiden);
en/of
* (Transport [G.H.])
in of omstreeks de periode van 27 februari 2004 tot en met 12 maart 2004 te Rotterdam en/of Den Haag en/of (elders) in Nederland en/of België en/of Frankrijk en/of Engeland [G.H.], althans een persoon (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), onderdak heeft verschaft in een of meer pand(en) (gelegen in Den Haag en/of Rotterdam) en/of (per trein) heeft begeleid van Den Haag naar Rotterdam, althans binnen Nederland, en/of (via België en/of Frankrijk) naar Engeland heeft vervoerd/begeleid;
en/of
* (Transport 16 maart 2004)
op of omstreeks 16 maart 2004 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland twee, althans een of meer, onbekend gebleven vrouw(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), met zijn, verdachtes, althans een, auto (merk Rover, kenteken [kenteken]) heeft opgehaald (in Rotterdam) en/of (vervolgens) in die auto heeft vervoerd in de richting van de Belgische grens (teneinde die onbekend gebleven vrouw(en) naar Spanje te vervoeren/begeleiden);
en/of
* (Transport 19 maart 2004)
in of omstreeks de periode van 18 maart 2004 tot en met 19 maart 2004 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of België
drie mannen en/of een vrouw, althans een of meer, onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 1]) en/of naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of (trein)tickets heeft verstrekt, althans voor een of meer van die perso(o)n(en) heeft aangeschaft, en/of (vervolgens) met de trein heeft begeleid naar Antwerpen;
en/of
* (Transport 24 maart 2004)
op of omstreeks 24 maart 2004 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of België vier, althans een of meer, onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse nationaliteit),naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of (vervolgens)
met de trein heeft begeleid naar Antwerpen (teneinde die perso(o)n(en) naar Engeland te (doen) vervoeren/ begeleiden);
en/of
* (Transport 29 mei 2004)
in of omstreeks de periode van 18 mei 2004 tot en met 29 mei 2004 te Rotterdam
en/of (elders) in Nederland
- [F.L] ([geboortedatum en geboorteplaats]), althans [P.F.L.] ([geboortedatum en geboorteplaats]), en/of
- [Y.G.L] ([geboortedatum en geboorteplaats]), althans [A.G.L.] ([geboortedatum en geboorteplaats]),
onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 1]) en/of een (vervalst) paspoort heeft verstrekt en/of naar het Centraal Station te Rotterdam heeft begeleid en/of (bus)tickets heeft verstrekt, althans voor die [L] en/of [L] heeft aangeschaft, en/of (vervolgens) in een bus (met bestemming Spanje) heeft doen instappen, althans naar die bus heeft begeleid;
en/of
* (Aankomst 4 personen in Engeland)
in of omstreeks de periode van 10 maart 2004 tot en met 6 april 2004 te Rotterdam en/of Den Haag en/of luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Schiedam en/of België en/of Engeland
- [X.R.D.] en/of
- [Y.W.] en/of
- [W.P] en/of
- [J.X.],
althans drie mannen en/of een vrouw, in elk geval een of meer, onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit, van luchthaven Schiphol en/of van een treinstation
in Den Haag heeft afgehaald en/of onderdak heeft verschaft (onder meer in een pand te
Den Haag) en/of een (vals/vervalst) paspoort heeft verschaft en/of heeft vervoerd/doen vervoeren naar België en/of (vervolgens) (als verstekeling per wagen) heeft vervoerd/doen vervoeren naar Engeland;
en/of
* (Transport [H.D.Q])
in of omstreeks de periode van 28 april 2004 tot en met 22 mei 2004 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland en/of te Parijs en/of (elders) in Frankrijk en/of België
[H.D.Q] , althans een onbekend gebleven vrouw (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), per taxi heeft begeleid van treinstation Gare du Lyon naar treinstation Paris Nord, althans over het grondgebied van Frankrijk, en/of (vervolgens) per trein heeft begeleid van Frankrijk naar Nederland en/of (vervolgens) onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 3]);
en/of
* (Transport 1 juni 2004)
in of omstreeks de periode van 18 mei 2004 tot en met 1juni 2004 te Rotterdam
en/of te Hazeldonk, gemeente Breda, en/of (elders) in Nederland
- [F.C] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [X.C.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [Q.L.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [W.H.X.] ([geboortedatum en geboorteplaats])
onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 1]) en/of met een auto (merk Renault, kenteken [kenteken]) heeft
opgehaald (in Rotterdam) en/of (vervolgens) in die auto heeft vervoerd in de richting van de Belgische grens (teneinde die [F.C] en/of [X.C] en/of [Q.L] en/of [W.X.H.] naar Spanje (en/of Parijs) te vervoeren/begeleiden);
en/of
* (Transport 2 juni 2004)
in of omstreeks de periode van 14 mei 2004 tot en met 2 juni 2004 te Rotterdam
en/of de Lutte, gemeente Losser, en/of (elders) in Nederland en/of in Duitsland
- [B.C.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [B.Y.C] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [C.Y.Y.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [S.L.] ([geboortedatum en geboorteplaats])
per (personen)auto over het grondgebied van Duitsland richting Nederland heeft
vervoerd, althans doen vervoeren, en/of (vervolgens in Nederland) per
(personen) auto heeft vervoerd, althans doen vervoeren, met als bestemming (het
Centraal Station te) Rotterdam;
en/of
* (Safehouse [adres 2])
op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 september 2003 tot en met 27januari 2004 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 2]);
en/of
* (Safehouse [adres 3])
op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1januari 2004 tot
en met 8 juni 2004 te Schiedam en/of (elders) in Nederland
een of meer (deels onbekend gebleven) perso(o)n(en) (met Aziatische
persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse,
nationaliteit), waaronder in elk geval op of omstreeks 8 juni 2004
- [L.X.H.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [C.G.S.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [L.Z.G] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [J.X.L.F.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [C.X.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [C.T.M] ([geboortedatum en geboorteplaats]),
onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 3]);
en/of
* (Safehouse adres 4])
op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 december 2003 tot en met 8 juni 2004 te Den Haag en/of (elders) in Nederland
een of meer (deels onbekend gebleven) perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), waaronder in elk geval op of omstreeks 8 juni 2004
- [Z.P.C.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [C.Y.Y.] ([geboortedatum en geboorteplaats]), onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 4]);
en/of
* (Safehouse [adres 1])
op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1januari 2004 tot en met 8 juni 2004 te Rotterdam en/of (elders) in Nederland
een of meer (deels onbekend gebleven) perso(o)n(en) (met Aziatische persoonskenmerken en/of vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), waaronder in elk geval op of omstreeks 8 juni 2004
- [J.L.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [Q.L.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en/of
- [M.C] ([geboortedatum en geboorteplaats]), onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres1]);
2.
hij
in of omstreeks de periode van 21 augustus 2003 tot en met 8 juni 2004 te Rotterdam en/of Den Haag en/of Schiedam en/of (elders) in Nederland en/of China en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Engeland
(mede) leiding heeft gegeven, althans heeft deelgenomen, aan een Organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten het (onder meer) plegen van mensensmokkel (uit beroep of gewoonte) en/of (gewoonte)witwassen,
immers, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en daar (meermalen) (onder meer):
- een of meer perso(o)n(en), van wie de toegang en/of het verblijf in Nederland wederrechtelijk was/waren, (uit winstbejag) uit het buitenland opgehaald en/of in Nederland ondergebracht en/of van een of meer (valse/vervalste) reisdocument(en) en/of (trein/bus)ticket(s) voorzien en/of naar het buitenland vervoerd/doen vervoeren en/of
- geld(en) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van geld(en) gebruik gemaakt, terwijl hij verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat/die geld(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.
2. VOORVRAGEN
1. Geldigheid van de dagvaarding
De raadsman heeft ter terechtzitting gesteld dat de dagvaarding partieel nietig is en daartoe het volgende aangevoerd.
" Indien safehouses betrokken zijn bij de eerder besproken transporten, is de strafbaarheid van het houden van de safehouses eigenlijk reeds besproken, aangezien het onderdak bieden valt onder de bepaling van artikel 197a Sr. In dat verband kan het bezitten/houden van de safehouses niet worden gezien als een bepaald delict, aangezien er zonder transport van illegalen geen strafbaarheid is.
De dagvaarding wordt dan ook innerlijk tegenstrijdig nu deze safehouses apart worden vermeld als zijnde een delict in de zin van artikel 197a Sr. Deze bepalingen uit de dagvaarding voor wat betreft de safehouses dienen dan ook nietig te worden verklaard.
Indien het OM tracht te bewerkstelligen dat daarmee een onbekend aantal transporten van onbekende personen strafbaar worden gesteld, stelt de verdediging dat in dat geval niet is voldaan aan artikel 261 Sv en dienen de bepalingen uit de dagvaarding voor wat betreft de safehouses nietig te worden verklaard."
De officier van justitie heeft met betrekking tot dit verweer het volgende opgemerkt:
Ten aanzien van de vermeende innerlijke tegenstrijdigheid van de dagvaarding zoals vermeld op pagina 17 van de pleitnota: Artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht ziet op toegang en verblijf. Dit ziet op elke vorm van fysiek verblijven. Ik heb dit in de tenlastelegging opgesplitst in transporten (verblijf in dynamische vorm) en safehouses (verblijf in de vorm van stilstand).
De rechtbank heeft ten aanzien van dit verweer het volgende overwogen.
Artikel 197a lid 1(oud) van het Wetboek van Strafrecht luidt, voorzover van belang:
Hij die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of verblijven in Nederland ………of hem daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, wordt gestraft met ….
In dit artikel worden door de wetgever drie gedragingen strafbaar gesteld:
1. Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland;
2. Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland;
3. Iemand daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen.
Door de officier van justitie is onder feit 1 tenlastegelegd, voorzover van belang:
dat verdachte op tijd en plaats als bovenomschreven
(telkens) een of meer perso(o)n(en) uit winstbejag opzettelijk behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot
en/of het verblijven
in Nederland en/of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen
en/of (telkens) een of meer perso(o)n(en) daartoe uit winstbejag gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat die toegang en/of dat verblijf van die perso(o)n(en) in Nederland en/of enige staat welke gehouden was mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen (telkens) wederrechteljk was/waren;
hierin bestaande dat hij, verdachte, tezamen met een of meer mededader(s), althans alleen, (tegen betaling) (onder meer) behulpzaam was bij het in Nederland toegang verschaffen en/of onderbrengen (in safehouses) en/of vervoeren van verschillende personen van buitenlandse nationaliteit, waaronder:
(volgt een opsomming van transporten en safehouses)
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging voldoende duidelijk maakt dat het begrip safehouse is gebruikt in twee verschillende betekenissen, namelijk een feitelijke en een juridische.
In het eerste geval maakt het safehouse al dan niet – feitelijk - onderdeel uit van de strafbare gedraging, zijnde het, kort gezegd, verschaffen van toegang aan illegalen in Nederland en/of enige andere staat, nader omschreven in een bepaald transport. In het tweede geval gaat het om de strafbare gedraging zelf, zijnde het verschaffen van gelegenheid en/of middelen, bestaande uit het onderbrengen van illegalen in een bepaald safehouse.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding voldoet aan het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank verwerpt het verweer en stelt vast dat de dagvaarding geldig is.
2. Bevoegdheid rechtbank
De rechtbank verklaart zichzelf bevoegd tot kennisneming van de zaak.
3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De rechtbank stelt vast dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.
4. Aanwezigheid van redenen tot schorsing van de vervolging
Uit het onderzoek op de terechtzitting zijn de rechtbank geen gronden gebleken die
moeten leiden tot schorsing van de vervolging
3. VRIJSPRAAK
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 onder de hierna te noemen onderdelen is ten laste gelegd.
De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
3.1 Transport 3 november 2003
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van vier onbekende personen die op 3 november 2003 in de internationale trein met bestemming Brussel-Zuid zijn gestapt.
3.2 Transport Duinkerken.
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van de personen welke op 7 november 2003 in een Bulgaarse trailer op het terrein van de Norfolk Line te Duinkerken werden aangetroffen.
3.3 Transport 10 november 2003
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde
telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van drie personen van het Centraal Station te Rotterdam naar België.
3.4 Transport 22 november 2003
3.5 Transport 24 november 2003
De rechtbank ziet deze twee transporten als twee verschillende transporten van telkens twee personen, uitgevoerd ten behoeve van [Y.P]. In de afgeluisterde telefoon- gesprekken van
- 12 november 2003 tijdstip: 03.38 uur pagina 912
- 12 november 2003 tijdstip: 04.20 uur pagina 915
wordt weliswaar door [A.M.] tegen [Y.P] gezegd dat hij met [Y.D.] zou hebben gesproken over de afhandeling van deze transporten dan wel dat hij [Y.D.] zou gaan opbellen met betrekking tot genoemde afhandeling, maar uit de bewijsmiddelen is niet op te maken dat deze handelingen door [A.M.] werkelijk hebben plaats gevonden en evenmin dat door [Y.D.] daarop actie is ondernomen. De rechtbank is voorts van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - ook overigens niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze rechtstreeks betrokken is geweest bij de twee transporten van telkens twee personen van Rotterdam naar Spanje.
3.6 Transport 25 november 2003
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van twee personen van Rotterdam naar Madrid.
3.7 Transport 6 december 2003
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van twee personen van Rotterdam naar Spanje.
3.8 Transport 14 januari 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van twee personen van Rotterdam naar Spanje.
3.9 Transport 29 januari 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van twee personen van Rotterdam naar station Antwerpen-Berchem te België.
3.10 Transport 2 februari 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van vier personen van Rotterdam naar station Brussel-Zuid te België.
3.11 Transport 10 februari 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van twee personen van Rotterdam via Calais naar Engeland. Met name is niet komen vast te staan dat de opmerkingen welke - waarschijnlijk - gemaakt zijn door [Y.D] in het afgeluisterde telefoongesprek van 26 februari 2004 tijdstip 13.29 uur, betrekking hebben op dit transport.
3.12 Transport 15 februari 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van vier personen van Rotterdam naar station Brussel-Zuid te België.
3.13 Transport 17 februari 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van vijf personen van Rotterdam naar station Brussel te België.
3.14 Transport 27 februari 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van vier personen van Rotterdam naar station Spanje.
3.15 Transport [G.H.]
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van [G.H.] van Den Haag via Rotterdam naar Engeland.
3.16 Transport 16 maart 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van twee personen van Rotterdam richting België met als eindbestemming vermoedelijk Spanje.
3.17 Transport 19 maart 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van vier personen van Rotterdam per trein naar Brussel, België.
3.18 Transport 24 maart 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van vier personen van Rotterdam per trein naar Brussel, België met als uiteindelijke bestemming Engeland.
3.19 Transport 29 mei 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van twee personen van Rotterdam per bus naar Spanje.
3.20 Transport 1 juni 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het transport van drie personen van Rotterdam per auto naar Spanje.
3.21 Transport 2 juni 2004
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij dit transport.
3.22 Safehouse [adres 3]
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het doen verblijven van illegaal in Nederland aanwezige personen in deze woning.
3.23 Safehouse [adres 1]
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op hetgeen hierna onder rubriek 6. (Nadere bewijsmotivering) is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de afgeluisterde telefoongesprekken - niet kan worden bewezen dat verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het doen verblijven van illegaal in Nederland aanwezige personen in deze woning.
4. BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat
1.
hij
in de periode van 21 augustus 2003 tot en met 8 juni 2004 te Rotterdam en Den Haag en luchthaven Schiphol, Gemeente Haarlemmermeer in Nederland, en België en Frankrijk
tezamen en in vereniging met anderen, beroepsmatig, althans uit gewoonte,
uit winstbejag opzettelijk behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of het verblijven in Nederland en/of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen en daartoe uit winstbejag gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, terwijl hij, verdachte, zijn mededader ernstige redenen had om te vermoeden, dat die toegang en/of dat verblijf van die persoon in Nederland en/of enige staat welke gehouden was mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen wederrechtelijk was/waren;
hierin bestaande dat hij, verdachte, tezamen met een of meer mededader behulpzaam was bij het in Nederland toegang verschaffen en/of onderbrengen (in safehouses) en/of vervoeren van verschillende personen van buitenlandse nationaliteit:
* (Transport [L.C.])
in de periode van 10 november 2003 tot en met 28 januari 2004 te Rotterdam en in Nederland en België en Frankrijk [L.C.], onderdak heeft verschaft en/of aanwijzingen heeft gegeven (over de reisroute en de te volgen smokkeltaktiek) en/of met de trein heeft doen vervoeren naar België en heeft doen vervoeren naar Engeland;
* (Aankomst 4 personen in Engeland)
in de periode van 10 maart 2004 tot en met 6 april 2004 te Den Haag en/of luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,
-[X.R.D.] en/of
- [W.P.] en/of
- [J.X.],
van luchthaven Schiphol heeft afgehaald en onderdak heeft verschaft in een pand te
Den Haag) en heeft doen vervoeren naar Engeland;
en
* (Transport [H.D.Q])
in de periode van 28 april 2004 tot en met 22 mei 2004 in Nederland en in Frankrijk en België een onbekend gebleven vrouw (vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), per taxi heeft begeleid van treinstation Gare du Lyon naar treinstation Paris Nord, en per trein heeft begeleid van Frankrijk naar Nederland;
en
* (Safehouse [adres 2])
op tijdstip in de periode van 15 september 2003 tot en met 27 januari 2004 te Rotterdam vermoedelijk met de Chinese, althans een buitenlandse, nationaliteit), onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 2]);
en
* (Safehouse [adres 4])
op 8 juni 2004 te Den Haag
- [Z.P.C.] ([geboortedatum en geboorteplaats]) en
- [C.Y.Y.] ([geboortedatum en geboorteplaats]), onderdak heeft verschaft in een pand (gelegen aan [adres 4]);
2.
hij
in de periode van 21 augustus 2003 tot en met 8 juni 2004 te Den Haag en in Nederland en/of China leiding heeft gegeven, aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven te weten het plegen van mensensmokkel uit beroep of gewoonte en gewoonte witwassen,
immers, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededaders toen en daar meermalen:
- personen, van wie de toegang en/of het verblijf in Nederland wederrechtelijk was/waren, uit winstbejag uit het buitenland opgehaald en/of in Nederland ondergebracht en/of van (trein/bus)ticket(s) voorzien en/of naar het buitenland doen vervoeren en
- gelden verworven, voorhanden gehad en overgedragen terwijl hij verdachte, en/of zijn mededaders wisten dat die gelden - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5. BEWIJS
De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.
6. NADERE BEWIJSMOTIVERING
De rechtbank overweegt met betrekking tot de hierna te noemen onderwerpen het volgende.
Identiteit van verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting van 20 november 2006 onder meer het volgende aangevoerd:
De officier van justitie heeft het veel over een persoon genaamd [Y.D.] gehad.
Wanneer anderen over [Y.D.] spreken, bedoelen ze niet altijd mij. Zij hebben ook contact met een andere persoon, die ook [Y.D.] is genaamd. Ik ken zijn adres en situatie. Ik heb niet eerder over die andere [Y.D.] gesproken uit angst voor wraak. Er zijn meer mensen die deze [Y.D.] kennen en die ook bang zijn voor hem. Ik wil niet verantwoordelijk gesteld worden voor de daden van anderen.
De rechtbank heeft met betrekking tot de identiteit van verdachte het volgende overwogen.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 oktober 2006 op vragen van de voorzitter onder meer het volgende verklaard:
Ik zeg u dat sommige mensen mij [Y.D.] noemen. Andere mensen noemen mij [A.D.]. Als er in getapte telefoongesprekken een persoon wordt aangesproken als [Y.D.] en ik word gebeld, dan ben ik de persoon die [Y.D.] genoemd wordt. Als ik zelf telefoneer, noem ik mij zelf soms ook wel [Y.D.].
De persoon op foto 11 (pagina 4654) heet [L.X.]. Wij zijn vrienden, we kennen elkaar goed. Ik heb later begrepen dat hij mensen smokkelde naar Engeland. Ik weet niet hoeveel mensen hij smokkelde. Ik weet ook niet hoe vaak, maar ik denk vaak. We kennen elkaar tamelijk goed. Hij smokkelde anderen.
Ik ben alleen maar tussenpersoon tussen [J.D.] en [L.X.]. Ze zijn allebei mijn vrienden. Ik heb ze bij elkaar geïntroduceerd.
U toont mij foto nummer 8 op pagina 4651 van het algemeen proces-verbaal. Ik herken mijzelf op de foto.
De voorzitter heeft ter terechtzitting van 16 oktober 2006 aan verdachte voorgehouden de verklaringen welke door medeverdachten zijn afgelegd nadat hen de hiervoor genoemde foto nummer 8 op pagina 4651 van het algemeen proces-verbaal was getoond. Deze verklaringen luiden als volgt (met daarbij vermeld de vindplaats in het algemeen proces-verbaal):
Pagina 2317 Verklaring medeverdachte [L.C.] op 9 juni 2004:
Ik ken hem als [A.D.]. Dat is in het Mandarijn. In het Fuhzoudialect is het [Y.D]. Ik spreek altijd Fuzhou met hem. Ik spreek hem soms één keer per week, soms één keer per twee weken.
Pagina 7257 Verklaring van buurman en medeverdachte [Y.D.C.] op 7 december 2004.
Dat is mijn buurman, die ik [Y.D]/[A.D.] noem. [A.D.] heeft mij wel eens gevraagd om geld naar China over te maken. Maar toen ik wist dat [Y.D] dat geld had verkregen door middel van mensensmokkel heb ik me daarmee niet meer bezig gehouden. [A.D.] heeft mij wel eens gevraagd om in zijn organisatie mee te helpen met het smokkelen van mensen, dan zou ik geld kunnen verdienen.
Pagina 7252 Verklaring van buurvrouw en medeverdachte [X.H.Z.], echtgenote van [Y.D.C.] op 7 december 2004.
Ik herken deze man als de persoon die ik in mijn verklaring [A.D.] noem. Hij wordt ook [Y.D.] genoemd. Ik heb wel eens gehoord dat [Y.D.] bij mensensmokkel betrokken was.
Pagina 6366 Verklaring van [L.X.] op 25 augustus 2004.
Ik herken de man op foto 8 als [Y.D.] en ik weet dat hij de baas is van [G.D.]. U zegt mij dat op 8 juni 2004 door u is aangehouden [Y.G.Z.]. U zegt dat ik hem ken als [J.D.]/[G.D.]. Toen ik uit China illegaal naar Nederland kwam is [J.D.] degene geweest die mij heeft opgehaald. Sinds ik in de organisatie help heb ik goed contact met hem. Hij werkt voor [Y.D.]. [Y.D.] regelt alles in Nederland. U vraagt mij of ik nog iets wil verklaren over mijn samenwerking met [Y.D.], [A.M.] of [J.D.]. Ik heb veel contacten met hen. Als ik gehoord had dat het gasten gelukt was nam ik contact op met [X.D.] zodat [X.D.] het geld bij [Y.D.] kon innen.
[G.D.] en [A.M.] hebben wel geld maar dat is net genoeg om hun eigen huur te betalen zodat er voor mij niets overblijft. Ik moest dus bij [Y.D.] geld halen. [Y.D.] en het bedrijf zijn hetzelfde.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 17 oktober 2006 op vragen van de voorzitter onder meer het volgende verklaard:
Ik ken meerdere personen die [Y.D.] worden genoemd. U vraagt mij of deze naam ook voorkomt in de kennissenkring van [J.D.], [Y.D.C.] en [A.M.]. Dat weet ik niet, want ik weet niet hoe groot hun kring is.
Verdachte heeft ter terechtzitting van 24 oktober 2006 tijdens het verhoor met betrekking tot het transport [H.D.Q] onder meer het volgende verklaard:
U houdt mij voor dat op 1 mei 2004 te 17.12 uur is getapt op mijn telefoonnummer, en dat [W.C] alias [Y.D] voornoemd gesprek heeft herkend en heeft verklaard dat hij dit gesprek met mij heeft gevoerd.
U vraagt mij of de mogelijkheid bestaat dat iemand anders van mijn telefoon heeft gebruik gemaakt en zich heeft voorgedaan als [Y.D.]. Voor zover ik weet zijn er meerdere mensen die [Y.D.] heten. Ik heb nooit eerder gemerkt dat de door u geschetste situatie zich heeft voorgedaan.
De rechtbank is, gelet op het bovenstaande van oordeel, dat in de gevallen waarin gesprekken zijn opgenomen met een technisch hulpmiddel van telefoons welke aan verdachte toebehoorden en - met inachtneming van hetgeen hierna is overwogen met betrekking tot de bruikbaarheid van de taps - waaraan door een persoon is deelgenomen die zich bekend maakte als [Y.D.] dan wel die aangesproken werd met de naam [Y.D.], verdachte de persoon is die met [Y.D.] of [A.D.] werd aangeduid. Nu de gesprekken vooral betrekking hadden op - de financiële afwikkeling van - transporten van illegale personen als bedoeld in de tenlastelegging, kunnen deze gesprekken meewerken aan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Stemherkenning en bruikbaarheid van verslagen van afgeluisterde telefoongesprekken
In dit onderzoek is veelvuldig gebruik gemaakt van het met een technisch hulpmiddel opnemen van telefoongesprekken, welke vervolgens door een tolk zijn vertaald van een Fuzhou-dialect in het Engels danwel in het Mandarijn. Het aldus verkregen resultaat is vervolgens door een andere tolk vertaald in de Nederlandse taal en opgenomen in de zogenaamde tapverslagen. Deze tapverslagen bevatten een woordelijke weergave van het gesprek danwel een kennelijk door de tolk gemaakte samenvatting van de inhoud van het gesprek.
In het merendeel van de tapverslagen is de identiteit van (één van de) verdachten als (één van de) deelnemer(s) aan het telefoongesprek vermeld.
Daarbij doen zich drie verschillende situaties voor:
a. die waarbij de deelnemer(s) aan een telefoongesprek door middel van het noemen van een naam wordt (worden) geïdentificeerd;
b. die waarbij is aangegeven dat identificatie door stemherkenning door de betrokken tolk heeft plaats gevonden. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, dat op verzoek van de rechtbank is uitgebracht, blijkt, dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de betrouwbaarheid van de stemherkenning door de tolken.
c. die waarbij de deelnemer(s) aan het telefoongesprek wordt (worden) geïdentificeerd, maar waarbij niet duidelijk is geworden hoe de identificatie heeft plaats gevonden, terwijl in het gesprek geen namen worden genoemd. Uit de verhoren van de tolken daaromtrent kan evenmin worden opgemaakt hoe deze identificatie heeft plaatsgevonden.
De rechtbank zal voor het bewijs slechts die verslagen van met een technisch hulpmiddel opgenomen telefoongesprekken als “ander geschrift” laten meewerken, indien:
1. de deelnemer(s) door middel van het noemen van een naam wordt (worden) geïdentificeerd;
2. op grond van de inhoud van andere bewijsmiddelen (bijv. observaties en/of camerabeelden en/of verklaringen) de identiteit van ten minste één van de deelnemers aan dat gesprek vaststaat en
3. voorts de inhoud van het betreffende gesprek uit een oogpunt van beantwoording van de bewijsvraag voldoende steun vindt in de inhoud van andere bewijsmiddelen.
Het onder 2. en 3. gestelde vindt ook toepassing in het geval dat geen woordelijk verslag van het telefoongesprek is opgenomen, maar een samenvatting van de inhoud van het gesprek is weergegeven.
De raadsman heeft "bij wijze van preliminair verweer" onder meer het volgende aangevoerd met betrekking tot het gebruik van de met behulp van een technisch hulpmiddel opgenomen telefoongesprekken.
Het confronteren van verdachten met tapgesprekken waarbij ter identificatie van de sprekers gebruik is gemaakt van stemherkenning door tolken is een vormverzuim in het voorbereidende onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.
Er wordt een tapgesprek afgespeeld en daarbij wordt gezegd wie de sprekers zijn. Van enige objectieve herkenning is dan geen sprake meer. De verklaring die voortvloeit uit een dergelijke handelswijze is eveneens beïnvloed.
Het gevolg van dit vormverzuim zou moeten zijn uitsluiting van het bewijs dat is verkregen naar aanleiding van deze niet correcte confrontatie. Daarbij verwijs ik naar de NFI-raportage en de overwegingen van Uw rechtbank daaromtrent.
De rechtbank heeft met betrekking tot dit verweer het volgende overwogen.
De rechtbank merkt dit verweer aan als een kennelijk bewijsverweer. De vraag die beantwoord moet worden is of, zo deze verhoren hebben plaatsgevonden op de door de raadsman beschreven wijze, dit al of niet aanleiding moet geven tot uitsluiting voor het bewijs van de daaruit verkregen verklaringen.
De rechtbank is van oordeel, dat dit verweer niet kan slagen. De getuigen/mededaders zijn immers bij de aanvang van de verhoren naar aanleiding van de gewraakte tapgesprekken op hun zwijgrecht gewezen en niet is gebleken, dat zij tegen hun wil een verklaring hebben afgelegd. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van ongeoorloofde beïnvloeding van de in het kader van het opsporingsonderzoek door de politie gehoorde getuigen en/of mededaders.
De rechtbank verwerpt dit verweer.
De rechtbank is voorts van oordeel dat
- niet is gebleken dat dit dwangmiddel zonder voldoende grond is toegepast;
- de gesprekken op rechtmatige wijze zijn opgenomen met een technisch hulpmiddel;
- met betrekking tot de kwaliteit van de door de tolken gemaakte vertalingen niet is gebleken dat er voldoende redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van dit bewijsmateriaal.
Illegale vreemdeling
Het geven van hulp bij het verblijf van personen in Nederland is strafbaar als deze hulp verstrekt wordt aan personen die wederrechtelijk hier te lande verblijven. Verdachte moet van de wederrechtelijkheid van dat verblijf op de hoogte zijn of ernstige reden hebben te vermoeden dat hiervan sprake is.
Dat de betrokken vreemdelingen daadwerkelijk wederrechtelijk in Nederland verbleven leidt de rechtbank af uit de verklaringen van de betrokken vreemdelingen zelf en/of het feit dat zij niet in het Vreemdelingen Administratie Systeem(VAS) voor kwamen en/of uit de modus operandi.
Winstbejag
Per 1 januari 2005 is artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht gewijzigd door het laten vervallen van het begrip winstbejag in lid 1 van genoemd artikel. (Artikel 197a is opnieuw gewijzigd met ingang van 1 februari 2006 bij Reparatiewet II Justitie ten aanzien van de nummering van de afzonderlijke leden van het artikel)
Deze wijziging heeft onmiddellijke werking. Ten opzichte van artikel 197a(oud) van genoemd wetboek betekent de wijziging van de tekst van het artikel voor de verdachte een minder gunstige strafrechtelijke positie. De rechtbank zal derhalve overeenkomstig het gestelde in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht bij haar beoordeling van de bewijsbaarheid van de ten laste gelegde transporten aansluiting zoeken bij artikel 197a(oud) van genoemde wet.
Voorzover aan verdachte ten laste is gelegd, kort gezegd, het behulpzaam zijn van een vreemdeling bij het verblijven in Nederland, zal de rechtbank het "nieuwe" artikel 197a lid 2 toepassen, aangezien toepassing van dit artikel geen voor de verdachte ongunstiger situatie oplevert. In dat geval geldt onverkort dat bewezen moet worden dat verdachte uit winstbejag heeft gehandeld.
Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de stukken betrekking hebbend op de diverse zaken leidt de rechtbank af dat de betrokken vreemdelingen voor hun reis en/of aansluitend verblijf in Nederland (hoge) geldbedragen betaalden aan - mededaders van - verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard te bemiddelen bij de voor de financiële afwikkeling van de transporten van illegale personen noodzakelijke geldstromen en per transactie daarvoor 3% commissie te ontvangen. Verdachte heeft ter terechtzitting voorts verklaard bekend te zijn geweest met de herkomst van de aldus door hem ontvangen en/of afgegeven gelden. Nu voorts niet aannemelijk is geworden dat verdachte uit louter ideële motieven heeft gehandeld, neemt de rechtbank aan dat verdachte heeft gehandeld uit winstbejag.
Organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte mede leiding heeft gegeven aan een organisatie die het oogmerk had het plegen van mensensmokkel en het gewoonte-witwassen. Deze organisatie was internationaal georganiseerd en stond onder leiding van een - vermoedelijk in China verblijvende - onbekende persoon. De transporten vonden plaats over het grondgebied van diverse landen. In elk van die landen was kennelijk een persoon belast met het coördineren van alle aspecten van het transport dat binnen de grenzen van het land in kwestie plaats vond.
Binnen Nederland gaf verdachte mede leiding aan de activiteiten van het Nederlandse deel van de organisatie, gericht op de realisatie van transporten van illegale personen naar Nederland en/of via Nederland naar een ander westers land alsmede het beheer van safehouses. Verdachte was voorts in het bijzonder betrokken bij de financiële afwikkeling van de diverse transporten door het verrichten van bancaire bemiddeling tussen degenen die voor het transport en verblijf dienden te betalen en de in diverse landen aanwezige ontvangers van de betaalde gelden.
Beroep of gewoonte.
Aangezien blijkens de bewezenverklaring verdachte zich meerdere keren heeft schuldig gemaakt aan op mensensmokkel gerichte activiteiten, is de rechtbank van oordeel dat tussen die handelingen een zodanig verband bestaat, dat er sprake is van een door een pluraliteit van handelen gevormde "gewoonte" van verdachte. De rechtbank heeft een keuze tussen de wettelijke alternatieven beroep of gewoonte achterwege gelaten, omdat een dergelijke keuze voor de juridische betekenis van hetgeen bewezen is verklaard in voorkomende gevallen van geen belang is nu de gebezigde bewijsmiddelen tevens het oordeel toelaten dat verdachte van het hiervoor bedoelde verboden handelen een beroep heeft gemaakt.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard te weten dat veel van de door hem in de bewezen verklaarde periode verzonden en/of ontvangen geldbedragen middellijk of onmiddellijk afkomstig waren uit mensensmokkel. De rechtbank is van oordeel dat, nu verdachte mede leiding gaf aan een organisatie die onder meer als oogmerk had het witwassen van van misdrijf, namelijk mensensmokkel, afkomstige geldbedragen, er sprake is van een door pluraliteit van handelen gevormde "gewoonte" van verdachte.
7. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
Medeplegen van
Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen, terwijl hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat die toegang wederrechtelijk is, door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van
Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 2:
het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl verdachte aan die organisatie leiding heeft gegeven.
8. MOTIVERING VAN DE STRAF
De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.
De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:
Verdachte is in de bewezen verklaarde periode - mede - leider geweest van een gestructureerd crimineel samenwerkingsverband dat zich op professionele wijze bezighield met mensensmokkel en gewoontewitwassen.
Bij mensensmokkel worden mensen die, om wat voor reden dan ook, hun land willen verlaten op illegale wijze naar een veelal westers land getransporteerd. De smokkelaars maken daarbij misbruik van de afhankelijkheid van deze personen, door voor het transport uit winstbejag (veel) geld te vragen. Ook in dit geval heeft verdachte ertoe bijgedragen dat Chinezen, tegen betaling van forse bedragen, geholpen werden wederrechtelijk toegang te verkrijgen tot Nederland of enige staat welke gehouden is mede ten behoeve van Nederland grenscontrole uit te oefenen. De organisatie maakte gebruik van zogenaamde “safehouses”, waar wederrechtelijk in Nederland verblijvende personen in woningen werden ondergebracht en vastgehouden tot de betaling van een transport had plaats gevonden.
Verdachte is in de bewezen verklaarde periode rechtstreeks betrokken geweest bij 3 zogenoemde transporten en bij het beheer van 2 safehouses. Verdachte was echter vooral betrokken bij de financiële kant van de organisatie. Zijn rol bij de transporten bestond er met name in dat hij het